amnestywgleiden@gmail.com

Geschiedenis mensenrechten

Collage met auteurs en omslag van 'The Last Utopia' respectievelijk Eleanors thee'

Twee geschiedschrijvers van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens / mensenrechten: Samuel Moyn en Daan Bronkhorst. Op de omslag van Eleanors thee schenkt Eleanor Roosevelt thee in voor actrice Greer Garson tijdens de opnames van Sunrise at Campobello (1960), een opwekkende film over Franklin Delano Roosevelt, waarin Garson de rol van Eleanor vertolkte.

 

"Bij een diner in 1943 in Teheran bespraken de drie wereldleiders het lot van de nazileiders na Duitslands overgave. Stalin wilde dat ten minste 50.000 van hen zouden worden terechtgesteld. Churchill vond massa-executies 'oneervol'. (..)

 

Churchill stelde toen voor een lijst te maken van 'grote nazimisdadigers die bij overgave meteen doodgeschoten konden worden'. Waarop Stalin zei: 'In de Sovjet-Unie executeren we nooit iemand zonder proces.' 'Natuurlijk, natuurlijk', stemde Churchill in, 'we moeten ze eerst een proces geven.' "  

 

"Dat de nieuwe organisatie ook de bescherming van individuele mensen moest dienen, sprak niet vanzelf. Churchill en Stalin wilden aanvankelijk geen enkele verwijzing naar onderwerpen zoals menselijke waardigheid en mensenrechten in het VN-Handvest. (..)

 

Dat de term 'mensenrechten' maar liefst zeven keer in het Handvest kwam, was vooral te danken aan lobby van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.

 

In alle fasen van de onderhandeling over het Handvest en de latere Universele Verklaring van de Rechten van de Mens heeft de Amerikaanse afvaardiging trouwens een grote inbreng gehad, en meestal ook het laatste woord.

 

Die regeringsdelegatie werd op haar beurt sterk beïnvloed door grote Amerikaanse non-gouvernementele organisaties, zoals de nationale koepel van vakbonden, de Federale Raad van Kerken, de vrouwenorganisaties en het American Jewish Committee.

 

De mensenrechten waren dus, zouden we nu zeggen, een ngo-initiatief."

Daan Bronkhorst, Eleanors thee

 

Mythes

Een populaire mythe wil dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM, 1948) werd opgesteld uit collectieve afschuw over het lijden van het verspreide Joodse volk in de Tweede Wereldoorlog.  

 

Daan Bronkhorst, oud-stafmedewerker van Amnesty Nederland, weerspreekt deze en andere mythes in het beknopte, toegankelijk geschreven Eleanors thee. Het ontstaan van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (2014, hier te downloaden als e-book, hier als pdf).  

 

New York, 1947. Eleanor Roosevelt spreekt de leden van de Commission on Human Rights toe, het gezelschap dat de tekst gaat opstellen van wat uiteindelijk de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens werd, bij hun eerste overleg. Op dat moment had commissiesecretaris Humphrey al de hoofdmoot van de latere tekst geschreven.

 

Een tweede mythe is dat vooral de Sovjet-Unie ijverde voor opname van sociale en economische rechten in de Verklaring. In werkelijkheid maakte de USSR zich vooral druk om discriminatie, met als doel de VS te kunnen hekelen op de rassenscheiding:  

 

De afgevaardigden van Stalin waren in het algemeen, getuige de dagboeken van verschillende westerse deelnemers, verschrikkelijke gesprekspartners.

 

Steeds moesten ze wachten op aanwijzingen uit Moskou en vaak verhulden ze dat wachten door lange toespraken af te steken – Roosevelt maakte als zij voorzitter was soms van een minieme Russische adempauze gebruik om de zitting af te hameren. (..)  

 

Roosevelt was heel beminnelijk met de Sovjets, maar ook haar werd het wel eens te gortig. Vooral kon ze weinig sympathie opbrengen voor de Russische gedelegeerde Aleksej Pavlov, neef van de wetenschapper naar wie de Pavlov-reactie is genoemd.

 

Pavlov had een grondige studie gemaakt van alles wat er mis was in de Verenigde Staten, zoals de discriminatie van ‘negers’, en bracht dat in ellenlange betogen te berde. (Bronkhorst, o.c)

 

Dit voorbeeld illustreert een meer algemeen punt: eerder dan een 'Nooit meer Auschwitz'-sentiment deed de beginnende Koude Oorlog zich voelen bij de opstelling van de tekst.

 

De preambule van de UVRM verwijst naar "barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan". Bronkhorst interpreteert dit als een verwijzing naar de Holocaust.

 

Moyn, historicus van mensenrechten, is voorzichtiger. Volgens hem heeft alleen René Cassin, Fransman en Joods en de waarschijnlijke auteur van deze regels, met zekerheid als eerste aan de Holocaust gedacht.

 

Voor anderen verwees de zinsnede in meer algemene zin naar de verschrikkingen van deze oorlog ("Every nation had its horrors", p.374).

 

In elk geval is in de verslaglegging van het debat gedurende een jaar, tot en met de aanvaarding van de UVRM, tot dusver geen verwijzing door enige diplomaat naar de Holocaust aangetroffen.

 

Afschuw van Hitlers Duitsland was volgens Bronkhorst in dat overleg een van de weinige dingen waarin men elkaar kon vinden.

 

Naar Stalins contemporaine misdaden, die in ernst niet onder deden voor die van nazi-Duitsland, is in de overgeleverde stukken over de totstandkoming van de UVRM bijvoorbeeld evenmin enige verwijzing te vinden.

 

Ander argument voor de geringe diepgang van wat later het 'Nooit meer Auschwitz'-sentiment is gaan heten, ten tijde van het opstellen van de UVRM, is dat de belangrijkste bescherming tegen een herhaling niet zijn weg vond naar de UVRM: het recht van minderheden op bescherming:

 

De Verenigde Staten waren nog niet toe aan volledige emancipatie van zwarten, de koloniale mogendheden wilden geen oproer in hun bezette gebieden, in de Sovjet-Unie waren de minderheden binnen eigen grenzen een niet-aflatende dreiging, Latijns-Amerikaanse regeringen hadden geen boodschap aan hun inheemse bevolkingen, en zo had ieder land wel een reden.

 

Als de gedelegeerden van 1948 écht zo onder de indruk waren geweest van de Jodenvernietiging, had de bescherming van minderheden bovenaan op de Universele Verklaring moeten prijken. (Bronkhorst, o.c)

 

Weer een andere reden voor ontbrekende aandacht voor de Jodenmoord geeft Moyn: Oost en West waren direct na de oorlog gericht op de toekomst, op het realiseren van varianten van een verzorgingsstaat ('welfarism').

 

De UVRM - die ook sociale en economische mensenrechten bevatte - had een ondergeschikte plek in dit streven, die van checklist voor staten. Erg bruikbaar was de UVRM niet, want bevatte geen praktisch handvat.

 

Eén zinsnede in de preambule van de UVRM die zich laat lezen als ondersteuning van deze opvatting van de betekenis van de UVRM ten tijde van de lancering is de zelfomschrijving als "a common standard of achievement for all peoples and all nations".

 

Een andere zinswending, niet door Moyn genoemd, past ook: "Overwegende, dat de volkeren van de Verenigde Naties (..) besloten hebben om sociale vooruitgang en een hogere levensstandaard in groter vrijheid te bevorderen".

 

Niemand stond te popelen het verse verleden te doorgronden:

 

Because of the national welfarist consensus that human rights were one way to denominate in wartime, humanity in the 1940s seems to have rejected the past in order to insist emphatically on creating a common future. 

 

Criminalizing atrocity had not yet become humanity’s fondest hope. 

 

If the UDHR was a future-oriented response to past experience, it was essentially a reaction to depression and dictatorship, not atrocity and genocide, and enacted for the sake of a rapid pivot to building a new future. 

 

This is the best explanation for why our ancestors so quickly chose to skirt the difficult knowledge about who exactly had suffered most during the recent past. (idem, p.375)

 

De consensus in 1948 volgens Moyn was dat de Tweede Wereldoorlog het gevolg was geweest van een economische crisis.

 

Bijpassende remedie ter voorkoming van herhaling was mensen voortaan te vrijwaren van behoeftigheid: "guaranteeing freedom from want would prove the key to securing freedom from fear" (p.372).

 

Moyn verwijst hier naar twee van de vier vrijheden als doelstelling afgekondigd door Amerikaans president Roosevelt in 1941, een verwijzing ook te vinden in de preambule van de UVRM.

 

drie van de vier vrijheden van Roosevelt, uitgebeeld door Norman Rockwell, Amerikaanse Rien Poortvliet anno 1943

Norman Rockwell, Amerikaanse Rien Poortvliet, beeldde de Vier Vrijheden van Roosevelt uit in 1943. Hier 'Freedom from want', 'Freedom from fear' en 'Freedom of speech'.

 

Het is een bekende valkuil (gedeeltelijk niet te ontlopen) om het verleden te bekijken vanuit de zorgen, fascinaties of vooroordelen van het heden.

 

Een voorbeeld. Een veelgelezen boek over de totstandkoming van de UVRM citeert uitvoerig uit de dagboekaantekeningen van John Humphrey, secretaris van de Commission on Human Rights (CHR), maar niet wat deze noteerde op 22 november 1948, tweeënhalve week voordat de UVRM werd aanvaard:

 

De grootste obstakels voor aanvaarding zijn opgeworpen door de communisten en de rooms-katholieken. De laatsten deden dat meer verhuld dan de eersten, maar met veel meer resultaat. (Bronkhorst, o.c)

 

Aannemelijke reden volgens Bronkhorst: de geschiedschrijver in kwestie is, behalve jurist, ook spraakmakend Amerikaans katholiek en enige tijd VS-ambassadeur bij het Vaticaan geweest.

 

Volgens Moyn hebben wij last van een hedendaagse blikvernauwing. We kunnen ons kosmopolitisme alleen voorstellen in de vorm van mensenrechten. 

 

De structuur van veel recente geschiedschrijving van mensenrechten getuigt daarvan. Dat is er een van een eenmalige dan wel getrapte 'doorbraak' van het inzicht in de universele gelijkheid van mensen, waarvan mensenrechten/de UVRM dan de volmaakte uitdrukking zijn.

 

Terwijl er door de geschiedenis heen vele kosmopolitismen zijn geweest. 'Kosmopolitisme' is de smaakmaker van wat altijd specifieke programma's zijn.

 

Het effect van deze perspectiefwisseling is aanzienlijk. Van een moeizaam op kortzichtigheid en 'provincialisme' bevochten universele blik, late prestatie van de mensheid, worden 'mensenrechten' variant op een bekend thema, zij het dat iedere uitwerking - of toepassing - van dat thema particuliere en daarmee uitsluitende trekken heeft.

 

Moyn ontleent zijn idee aan bovenstaande studie van de indoloog en Sanskrietkenner Pollock. Pollock: "There has been, it would seem, not just one cosmopolitanism in history, but several" (aangehaald door Moyn, p.367)

 

Voor gekoloniseerde volkeren rond 1945 was de natiestaat zo een kosmopolitisme, een hoog-idealistische uitdrukking van de wens tot 'collectieve zelfbeschikking':

 

The nation-state was not seen as an affirmation of particularity but as a highly idealistic vehicle of cosmopolitan humanity enjoying a modular nationalism with no provision for superordinate constraint.

 

The 750 million people the United Nations left colonized voted with their feet for a cosmopolitanism that implied their collective emancipation with more assurance and with more practical meaning than international human rights did. (Moyn, p.379)

 

De natiestaat werd op zijn beurt gezien als beste manier om individuele rechten te garanderen, precies zoals Europeanen in de negentiende eeuw burgerrechten binnen hun toen opkomende natiestaten hadden opgeëist.

 

Ook 'welfarism', het streven naar een verzorgingsstaat binnen de grenzen van de natiestaat, was volgens Moyn een kosmopolitisme. In het ijveren daarvoor beriepen mensen zich niet op 'mensenrechten', maar op noties als 'common good', 'social solidarity', 'the general welfare'.

 

Menig recente geschiedschrijving van mensenrechten legt een accent op diplomatieke verwikkelingen rond de totstandkoming van de UVRM. Geregeld ondersteunt men zo impliciet de mythe van mensenrechten als culminatie van de unieke doorbraak van een verstrekkend inzicht.

 

Het belang van het resultaat, die UVRM, is voor hen zo vanzelfsprekend, dat men niet de moeite neemt het te onderzoeken:

 

[De UVRM] is usually chronicled and celebrated simply for its emergence.

 

This exclusionary focus on the making and content of the UDHR has taught us a great deal, no doubt, but solely about diplomatic origins; it is, overwhelmingly, a story of a small number of elites working in the interstices of a fledgling and problematic international organization.

 

Beyond those severe limits it has had several quite unfortunate drawbacks.

 

It has made the story of diplomatic penmanship overly dramatic (indeed melodramatic)—though when it came to the document’s content, in spite of a few modest squabbles, nearly everyone agreed about it, including both sides of what would become the cold war rift.

 

But, most basically, the historiography failed to ask whether anyone cared about the UDHR at the time—and if not, why not. (p.368-369)

 

In feite was de UVRM bij verschijning al wat gedateerd, meent Moyn. Hij ademde een geest van consensus die in 1948 al weer verleden tijd was.

 

De binnenlandse politieke strijd ("domestic infighting") ging bijvoorbeeld al weer over de soort van verzorgingsstaat die facties wilden.

 

Ook Bronkhorsts beknopte geschiedschrijving legt de nadruk op de totstandkoming van de tekst van de UVRM. Het levert inkijkjes op in de onderhandelingen en in erbij betrokken personen.

 

Zo was de leider van de Sovjetdelegatie, Vysjinski, eerder aanklager geweest in showprocessen, de heksenjacht onder Stalin, waarbij hij zich ook de datsja's of ander vermogen van degenen die hij de dood instuurde toe-eigende.

 

10 December 1948, tijdens de stemming over de aanvaarding van de UVRM door de Algemene Vergadering van de VN, onthield de USSR zich van stemmen.

 

In een toelichting verklaarde Vysjinski de UVRM ‘een ontoelaatbare inmenging in de interne aangelegenheden van staten’.

 

Dit betekent niet dat de Sovjet-Unie de UVRM vreesde. Volgens Moyn had niemand uiteindelijk veel moeite met de tekst.

 

Maar ook had niet iedereen de indruk dat op de vergadering van 10 december 1948 iets van historisch belang gebeurd was.

 

De Britse VN-ambassadeur noteerde bijvoorbeeld in zijn dagboek: “The Plenary was sitting, also the first committee … I ignored them.” En de volgende dag: “.. and I have finished with that foul Assembly.” (Van Troost)

 

Bronkhorst noemt de UVRM "wellicht 's werelds belangrijkste tekst" - bijvoorbeeld vertaald in 400 talen, en aangehaald in menige grondwet - maar vermeldt ook dat de tekst niet onomstreden is. Naast lovende/hoopvolle omschrijvingen als "een soort grondwet voor de wereldwijde rechtsstaat" staan kwalificaties als "een willekeurig samenraapsel" en "litanie van vaagheden".

 

Marga Klompé (rechts) legt in November 1948 aan kinderen de betekenis van de UVRM uit

Volkskrantjournalist Fokke Obbema beschrijft in zijn recensie van Eleanors thee een gebruikelijke ontwikkelingsgang van mensen aangetrokken tot de UVRM en achterliggende idealen van gelijkheid en broederschap op wereldschaal. 

 

Als rechtenstudent interviewde hij in 1983 ex-minister Klompé. Zij maakte namens de Nederlandse vrouwenbeweging deel uit van de Nederlandse delegatie die de UVRM hielp opstellen:

 

"Als rechtenstudent en vrijwilliger bij Amnesty beschouwde ik het als een grote eer haar te mogen interviewen. Via haar stond ik toch maar mooi in direct contact met de Universele Verklaring die voor mij, als Amnesty-gelovige, een haast goddelijke status had, vergelijkbaar met de Tien Geboden voor christenen."

 

Klompé temperde zijn idealisme. Obbema besluit zijn recensie met de vaststelling dat de UVRM

 

"het maximaal haalbare [is] waartoe de mensheid op dit vlak collectief in staat is. Het nut daarvan werd door mejuffrouw Klompé glashelder verwoord: ‘Door deze principes te benoemen, kunnen staten op hun wangedrag worden aangesproken’.

 

Tot nader order verleent dat de Universele Verklaring eeuwigheidswaarde. Dus niks afschaffing, maar volhardend op naar het eerste eeuwfeest, waarop er vast weer niets te vieren valt."

 

Dat de UVRM in de toenmalige vorm het maximaal haalbare is, tot stand gekomen onder een gunstig historisch gesternte, is ook de conclusie van Bronkhorst:

 

Achteraf gezien is het eens te meer duidelijk hoezeer Eleanor Roosevelt gelijk had met de haast die ze achter de Universele Verklaring zette. Misschien was in geen enkel later jaar de Universele Verklaring mogelijk geweest.

 

De wereld sloot zichzelf eind jaren veertig op in blokken. Vroeg in 1949 begon Stalin met massadeportaties, zoals vanuit de Baltische staten naar ver in Siberië. Het uitbreken van de oorlog in Korea, juni 1950, was het begin van een telkens lokaal uitgevochten ‘Derde Wereldoorlog’ die decennia zou duren.

 

Wie nu verwacht dat Bronkhorst zuinig oordeelt over de waarde van de UVRM, komt bedrogen uit. Zonder het te beargumenteren - dat wel - stelt hij:

 

Dat de Universele Verklaring grote invloed heeft gehad staat buiten kijf. Verdedigbaar is de stelling dat het bouwwerk van de mensenrechten heeft bijgedragen aan de val van de Berlijnse Muur, de vrede die in bijna heel Europa al decennia aanhoudt, de spectaculaire terugval van wereldwijd gemelde gevallen van doodstraf en marteling, de niet minder spectaculaire verbreiding van democratische verkiezingen. 

 

Het is niet per se in strijd met het oordeel van Moyn. Die vindt mensenrechten weliswaar minder "substantial" en "transformative" dan nationalisme en socialisme in de 1940s waren, maar meent dat die eerdere kosmopolitismen op goede gronden aan aantrekkelijkheid hebben ingeboet.

 

Ook vindt hij weinig pleiten tegen een vorm van transnationale solidariteit (bijvoorbeeld via mensenrechten).

 

Maar net zoals hij de afbraak van verzorgingsstaten vanaf de jaren zeventig en na de Koude Oorlog openlijk "depressing" noemt, beoordeelt hij mensenrechten meer op wat ze niet dan wel bieden:

 

Where our ancestors in the 1940s shouldered the task of achieving the summum bonum of the good society through the state, Westerners eventually learned the lessons of the Holocaust and organized their moral consciousness around the summum malum of atrocity in war and the body in pain, especially when these seem to follow from someone else’s misrule. Cruelty became the worst thing we (or they) can do, not solidarity the best thing we can achieve. (p.382)

 

International human rights politics originated in the 1970s by sticking, perhaps defensibly, to a minimal package of norms like free speech and integrity of the body. The problem is that this occurred as the more thoroughgoing dreams for national welfare of the 1940s were dropped, and no agenda of global welfare has followed in compensation. (p.383)

 

Mensenfilosofie

Opname van 'mensenrechten' in het VN-Handvest mag dan sterk door NGO's gepromoot zijn, zoals Bronkhorst beweert in de aangehaalde passage die het motto van deze bijdrage vormt, het betekent niet dat de opname van het woord toen veel verschil maakte ten opzichte van verworpen alternatieven.

 

Hetzelfde geldt voor de latere vervanging van 'heiligheid' door 'waardigheid'.

 

Volgens Moyn had de bijeenkomst in San Francisco, mei 1945, waarin de tekst van het VN-Handvest werd aangepast, ten doel om de eerdere, meer realpolitieke afspraken in Dumbarton Oaks een menselijker gezicht te geven.

 

Victoria GildersleeveSpeciaal de preambule kenden sommigen in dat verband een groot belang toe. Het was het enige onderdeel van het Handvest dat een gewone burger normaal gesproken zou lezen, meende Victoria Gildersleeve, een betrokkene.

 

Gildersleeve kon de vervanging van de 'heiligheid' van het menselijk wezen, woordkeuze van de prominente blanke Zuid-Afrikaan Jan Smuts, opsteller van een eerste concept, door 'waardigheid' op haar conto schrijven.

 

Ze was decaan van Barnard College, een New Yorkse universiteit voor vrouwelijke studenten, en voorvechter van vrouwenrechten. Maar met Joden had ze minder op.

 

In de 1930s had Gildersleeve zich ingespannen om Joden te weren van haar universiteit en steunde ze Duitslands territoriale expansie. Nog na de oorlog keerde ze zich tegen het 'internationale Zionisme'. (Moyn, 'Dignity's Due').

 

Foto van de correctie door Gildersleeve in een verbeterde concept van de preambule van het VN Handvest, mei 1945

De historische sensatie: foto met in de marge Gildersleeve's verbetering van de tekst van Smuts' gereviseerde preambule van het VN-Handvest, 'sanctity' vervangen door 'dignity'. Foto gemaakt door Moyn.

 

Het feit dat zulke tekstredactie zonder heftige discussie kon gebeuren dempt al te idealistische voorstellingen van de gang van zaken, bijvoorbeeld die waarin hooggestemde diplomaten inhoudelijk discussiëren en de mensheid met een schone lei en mensenrechten de nieuwe wereld willen insturen.

 

Julian Huxley tijdens de eerste Algemene Conferentie van UNESCO in 1945

Julian Huxley (staand) tijdens de eerste Algemene Conferentie van UNESCO

 

Zulke ambities van degelijkheid en grondig onderzoek had wel Julian Huxley, telg van de Britse upperclass, eerste algemeen directeur van de United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO). In 1946 had hij UNESCO: Its Purposes and its Philosophy gepubliceerd.

 

In die blauwdruk zag hij als taak van de organisatie onder andere "to stimulate the quest, so urgent in this time of over-rapid transition, for a world philosophy, a unified and unifying background of thought for the modern world".

 

Weliswaar had de CHR, voorgezeten door Eleanor Roosevelt, van de Economische en Sociale Raad van de jonge VN de opdracht en het mandaat gekregen een 'international bill of rights' op te stellen, maar die kwamen pas begin 1947 voor het eerst bijeen.

 

Huxley zag de kans schoon de CHR te voeden met hoogwaardige inhoud. Daarbij was op dat moment niet duidelijk hoe de commissie van Roosevelt te werk zou gaan. Het zou een bottom up-proces kunnen worden, waarin de CHR naar een mondiale consensus zou streven.

 

Huxley plande met zijn jonge Franse medewerker Havet, filosoof en hoofd van de onderafdeling 'Filosofie', een conferentie van filosofen en geleerden van over de hele wereld.

 

Dit gezelschap zou een definitieve analyse geven van de onderliggende principes, waarden maar ook tegenstrijdigheden in de beoogde 'bill of rights' van Roosevelts commissie. Huxley's bedoeling was dat deze analyse integraal als bijlage daarin zou worden opgenomen.

 

Hij moest wel snel zijn, want over een tot twee maanden zou de CHR voor het eerst bijeenkomen.

 

Huxley keek wat neer op de CHR, "occupied as it was by the largely (in his opinion) political disputes between nation-states and their respective diplomats rather than the grander philosophical questions that he saw as falling uniquely within UNESCO’s purview", aldus Goodale, op wiens onderzoek we ons baseren.

 

Ook was Huxley niet te spreken over de dominantie van de VS in die commissie.

 

Hij schatte zijn invloed verkeerd in:

 

Huxley firmly believed and expected, driven more by his own sense of UNESCO’s destiny rather than any formal agreements, that the outcome of the process that he and Havet were hurriedly launching would be gratefully accepted by the CHR, since it should have been obvious to Roosevelt and others that only UNESCO had the capabilities and mandate to provide the underlying philosophical grounding for what became the UDHR.

 

Zoals hij ook de veranderde geopolitieke machtsverhoudingen verkeerd inschatte. Midden 1947 werd druk overlegd over het Marshallplan, het Amerikaanse steunplan aan vernield Europa. Ook het UNESCO zelf werd grotendeels gefinancierd door de VS.

 

In de VS had men moeite met de links georiënteerde Huxley, die zijn gedachtengoed als 'wetenschappelijk wereldhumanisme' bestempelde, en gedachten over een 'wereldregering' naar buiten bracht. Maar ook de huisvesting van het UNESCO in Parijs lag al gevoelig.

 

Als compromis met Frankrijk en Groot-Brittannië werd Huxley slechts voor twee jaar benoemd, terwijl de reglementen toch zes jaar vermeldden, en net vastgesteld waren.

 

In de praktijk ging Huxley niet zo crosscultureel te werk als zijn tekst van 1946 mogelijk de indruk wekte dat hij zou doen. Door de tijdsdruk en praktische bezwaren wilde hij in mei 1947 een conferentie beleggen van een ruim dozijn vooral West-Europese filosofen.

 

Franse filosofen hadden een streepje voor, al was het maar omdat ze dichtbij woonden. Georges Gurvitch, Jean Hyppolite en "Sartre of Merleau-Ponty" stonden op de verlanglijst, daarnaast onder andere twee Belgen, twee Britten en een Nederlander.

 

Toen dit onhaalbaar bleek, stelde Havet eind maart 1947 een document van veertien pagina's op, dat door Huxley en Havet tamelijk onsystematisch aan meer dan honderd personen of instanties werd gestuurd, vergezeld van een brief van Huxley waarin hij om tijdig schriftelijk commentaar verzocht.

 

Een commissie van het UNESCO zou vervolgens, legde hij uit, op basis van de binnengekomen reacties een document opstellen en aan de CHR sturen, ten behoeve van de werkzaamheden van de laatste.

 

Afbeelding van de reactie van GandhiDe aangeschrevenen vormden een bont gezelschap: diverse regeringen, vakbonden, politieke partijen, beroepsorganisaties, kranten, universiteitsbestuurders maar ook geleerden, kunstenaars, theologen en filosofen, onder wie Bertrand Russell, kennis van Huxley (Russell reageerde niet). Ook Gandhi ontving een schrijven.

 

De aangeschreven T.S. Eliot deelde met Huxley zijn verbazing over diens initiatief. Wie zou er behoefte kunnen hebben aan een verklaring van de rechten van de mens? "[A] statement of the rights of man, unless it was a tissue of ambiguities, could never, I think, be framed in such a way as to command the assent of all intelligent men.”

 

Havets document was eurocentrisch in dat het verwees naar de invloed van de evolutietheorie en het marxisme op de discussie over 'rechten' en vooral teruggreep op de Franse en Amerikaanse burgerrechtenverlaringen. Verder bevatte het een lijst met mogelijke rechten en vrijheden.

 

Tussen 26 juni en 2 juli overlegde de UNESCO-commissie, bestaande uit zes Europeanen, één Amerikaan en één Chinees. De laatste, een consultant bij het UNESCO en op het laatst toegevoegd, leverde geen substantiële bijdrage aan de beraadslagingen. Op dat moment waren 44 reacties binnengekomen.

 

Richard McKeon, het Amerikaanse commissielid, schreef in de week volgend op dit overleg 'The Grounds of an International Declaration of Human Rights', een tekst die na de Koude Oorlog, rond 1990, toen het einde der ideologieën afgekondigd werd, een tijd lang ten onrechte werd bestudeerd alsof het destijds een breed gedragen, kosmopolitisch product was geweest.

 

Maar McKeons medecommissieleden hadden nauwelijks gebruik gemaakt van het aanbod commentaar te leveren op zijn concepttekst, Franse leden daarbij gehinderd door hun gebrekkige beheersing van het Engels.

 

En het Brits commissielid Carr - historicus, diplomaat, journalist en vroege theoreticus van internationale betrekkingen - had zuinig opgemerkt McKeons tekst nogal woordenrijk te vinden om zich even later te distantiëren van het hele idee van een verklaring van de rechten van de mens. 

 

In een brief aan Huxley lichtte Carr toe: "You can compromise in politics, but not—unless you are either stupid or intellectually dishonest—in philosophy."

 

Augustus 1947 bevestigde de CHR de ontvangst van een stapel exemplaren van het uiteindelijke rapport van het UNESCO.

 

Onbekend aan Huxley was dat Humphrey al in februari 1947, op verzoek van Roosevelt, een eerste tekst voor de CHR geschreven had. Gereed in drie weken tijd, nog vóór het eerste overleg van de CHR, bevatte hij al grotendeels de inhoud van de latere UVRM. Dat gold in nog sterkere mate voor Humphrey's eerste versie van de UVRM d.d. mei 1947. 

 

Zwaarwegend voor het lot van het UNESCO-rapport was dat UNESCO's rondschrijven eind maart, begin april verkeerd gevallen was bij Amerikaanse medewerkers van de VN en het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken en daarnaast bij sommige leden van de CHR. 

 

Het UNESCO-rapport had geen invloed op de UVRM. De CHR schermde zich sowieso af van invloeden van buitenaf. 

 

Huxley's subcommissie 'Filosofie en Humanistische Studies' van de UNESCO werd al snel op een zijspoor gerangeerd. Huxley legde zijn functie december 1948 neer. De taakstelling van het UNESCO werd die van een onderwijsinstelling en beheerder van cultureel erfgoed; een van de vele speciale instellingen van de VN, en niet de bijzondere waaraan Huxley in 1946 dacht.

 

In feite stemden de aanpak van Roosevelt/Humphrey en de uiteindelijke aanpak van Huxley/Havet behoorlijk overeen. Ook Humphrey baseerde zich vooral op al bestaande westerse burgerrechtenverklaringen en kwam met een lijst van mogelijke rechten.

 

En waren Havets veertien pagina's geschreven met de opzet om de aangeschrevenen al beoogde conclusies mee te geven, waarnaar de reacties van de aangeschrevenen dan hopelijk zouden toeschrijven, Humprey's tekst werkte in de praktijk normerend.

 

Schutblad van de twee in de tekst genoemde publicaties van Huxley/UNESCO in 1946 respectievelijk 1948

 

Moyn concludeert op grond van de redactie van het VN-Handvest in San Francisco:

 

It (..) follows from the lack of controversy attending the edit [van 'heiligheid' naar 'waardigheid'] that the text might have stayed the same or been changed in some different way, with equally little debate. Aside from the alteration of “value” to “worth” and Smuts’s change of “human being” to “human person,” not many changes were made to this part of the preamble after these edits. As far as I know, no interpretation of the term took place in United Nations circles at any point in the era.

 

History is made of accidents. The Universal Declaration of Human Rights three years later also embedded dignity, along with the postwar constitutions (..) in their openings. But if Gildersleeve hadn’t made her edit, none of that — including our current intense interest in dignity — might have happened.

 

In that alternative world, we would now have to be interested in the “sanctity” of the human being, or in something else.

 

Deze constatering loopt het risico al te afwimpelend te worden, alsof alle betogen gelegenheidsbetogen zijn en alle fraaie, 'diepe' woorden hol, waarmee denken over de gronden van 'mensenrechten' overbodig zou worden, bij gebrek aan te bestuderen dieps.

 

Maar Moyns interventies bieden, net zoals de corrigerende geschiedschrijving van Goodale (een cultureel antropoloog), welkom tegenwicht aan vals pathos en onnadenkendheid elders.

 

Kritische en gelegenheidsgeschiedenis

Pas in de jaren zeventig raakten mensenrechten volgens Moyn in zwang, om een veelheid van redenen, waarvan hij het falen van omvattender utopieën de belangrijkste vindt. 

 

Mensenrechten vormden toen een alternatieve, minimaler utopie. Maar mettertijd namen de verwachtingen toe: "They were forced, slowly but surely, to assume the very maximalism they triumphed by avoiding." (The Last Utopia (2010), p.9)

 

Aangezien Moyn mensenrechten allereerst opvat als uitvindingen, afspraken, sluit dat de mogelijkheid van 'maximaler' herdefiniëring in, maar ook die van vervanging:

 

Human rights are not so much an inheritance to preserve as an invention to remake - or even leave behind - if their program is to be vital and relevant in what is already a very different world than the one into which it came so recently. (..)

 

No one knows whether, if they are found wanting, another utopia can arise in the future, just as human rights once emerged on the ruins of their predecessors. Human rights were born as the last utopia - but one day another may appear. (o.c, p.9-10)

 

Dat lijkt het verschil tussen Bronkhorst en Moyn. Teksten van de laatste tonen meer opstandigheid over de status quo dan Bronkhorst in Eleanors thee.

 

Dat kan te maken hebben met de verschillende doelgroepen van de teksten. Moyn stelt zich geregeld op als publiek intellectueel. Zijn (invloedrijke) geschiedschrijving heeft trekken van een intellectuele polemiek. Bronkhorsts tekst is een gelegenheidspublicatie, geschreven in opdracht van Amnesty Nederland, deels bedoeld als geschenk aan donateurs.

 

Moyns opstandigheid spreekt bijvoorbeeld uit het volgende citaat:

 

Human rights are a reform project in competition with other such projects. (..) The alternative to our contemporary humanitarian culture of human rights is not doing nothing. It is doing something else - and perhaps something better. (Humand rights and the uses of history, p.97)

 

Still van film 'Sunrise at Campobello', met link naar de trailer

Still van clip van toespraak Eleanore Roosevelt + link naar deze clip

De moeder van de UVRM, Eleanor Roosevelt, tijdens een toespraak in Saint Louis op 10 december, Internationale Dag van de Mensenrechten (jaar niet te achterhalen). Enerzijds preludeert ze op de noodzaak de juridisch niet-bindende UVRM om te zetten in juridische verdragen (die er pas in de jaren zestig gekomen zijn) en (inter)nationale wetgeving, anderzijds wijst ze op de noodzaak dat deze rechten in de 'harten' van mensen (gaan) leven, het verschil tussen uiterlijk meebuigen en verinnerlijken. Dat laatste wijst minder op een opeisen van rechten dan op een - van waar? - gevoelde plicht de mensenrechten van anderen te respecteren. Wat zou dat in kunnen houden, voorbij de naaste familie, voorbij de natiegrenzen?

Still van YouTube-clip van een college + link naar dat college

Oktober 2014, debat "Around 1948: Human Rights and Global Transformation" op Columbia University over de globale ontwikkelingen in het jaar 1948, datum van oprichting van een aantal nieuwe staten en lancering van de UVRM. Samuel Moyn benadrukt (vanaf 15 minuten) het destijds marginale belang van mensenrechten, vergeleken met noties als nationalisme en welfarism (verzorgingsstaatdenken in een ruim opgevatte zin). De bijeenkomst werd georganiseerd ter gelegenheid van het verschijnen van een themanummer van Critical Inquiry over dit onderwerp. De bijdrage van Moyn in dit nummer, herhaald in de clip, hebben we boven benut.  

Still van een clip van een lezing van Moyn begin 2018 + link naar die lezing

In 2018 publiceert Moyn een nieuw boek, Not Enough. Human Rights in an Unequal World, waarin hij een tekortkoming van zijn eerdere kritische geschiedenis beoogt te corrigeren: het verwaarlozen van 'distributieve rechtvaardigheid' en 'politieke economie', kritiek van Susan Marks die hij hout vond snijden, verklaart hij in deze lezing vlak voor het verschijnen. Harde noot om te kraken voor mensenrechtenorganisaties of -bewegingen is Moyns conclusie dat ze vooral nauwelijks verschil maken. 

  • Laatste wijziging juni 2018.

  

Voer actie via je smartphone!

Wij op Social Media

FacebookTwitter

Onze activiteiten in vogelvlucht

In- en uitloggen vrijwilligers