amnestywgleiden@gmail.com

Tekortschietende vluchtelingenopvang: politieke onwil meets politiek onvermogen?

 

Met de Tweede Kamerverkiezingen op komst, en de vaststelling van landelijke verkiezingsprogramma's aan de orde, organiseerde Amnesty International maandag 14 november 2016 een debat over hoe de vluchtelingenopvang te verbeteren.

 

Het is beneden te zien. Onze webredacteur bekeek het en verkent, op persoonlijke titel, het grensverkeer tussen politiek en moraal.

 

Bommen en andere humanitaire hulp

In 1999 merkte filosoof Hans Achterhuis, in zijn essay Politiek van goede bedoelingen, op dat westerlingen minder gewicht toekennen aan mensenrechten dan aan andere waarden of belangen.

 

Bij de 'humanitaire interventie' in Kosovo dat jaar bleek de NAVO niet bereid westerse soldatenlevens te offeren. Men voerde slechts een luchtoorlog en dan nog alleen bij mooi weer. Inzet van ook grondtroepen had duizenden Servische en Kosovaarse levens kunnen redden (tegen de kosten van enkele sneuvelende of gewonde NAVO-militairen).

 

Bescherming van de mensenrechten van de Albanese Kosovaren was niet het enige verklaarde doel van de interventie. President Clinton van de leidende NAVO-natie noemde bij aanvang ook:

  • realisering / behoud van een multi-etnisch Kosovo, met respect voor de rechten van minderheden
  • een einde aan het geweld

(beide zijn natuurlijk ook te gieten in termen van mensenrechten).

 

Geen van de doelen werd behaald:

  • Na de NAVO-bombardementen op Servië nam de verdrijving van Albanese Kosovaren pas goed een aanvang.
  • Na de beëindiging van de oorlog, ruim twee maanden later, verdreven Albanese Kosovaren op hun beurt Servische en Montenegrijnse Kosovaren.

Volgens Achterhuis wogen geopolitieke overwegingen en geloofwaardigheid van de NAVO minstens zo zwaar mee in het besluit tot interventie als zorg om de schending van de mensenrechten van Kosovaren. Over die geloofwaardigheid:

  • De NAVO had Servië met geweld gedreigd als het niet zou meewerken aan een laatste oplossing (Rambouillet-akkoord) en kon voor eigen gevoel niet terug toen Servië niet instemde met alle bepalingen. 
  • Volgens sommige diplomaten zou geen enkele soevereine staat de voorwaarden van het akkoord aanvaard hebben. Hun suggestie is dat de interventie is uitgelokt.
  • De doelen van de interventie werden tijdens de uitvoering enkele keren aangepast en het akkoord dat de oorlog beëindigde was op sommige punten ongunstiger voor de Kosovaren dan het geweigerde akkoord dat de áánleiding tot de interventie was geweest.

Niet iedereen relativeerde het gewicht van de mensenrechten van Kosovaren. Of wat ook precies het motief was: het Nederlandse Interkerkelijk Vredesberaad (IKV) bepleitte de inzet van grondtroepen tegen de Serviërs en herhaalde dit pleidooi bij een beoogd aansluitende interventie, wat het IKV betreft dit keer gericht op de Albanese Kosovaren, toen die met eigen etnische zuiveringen begonnen waren.

 

De ontbrekende politieke steun in Nederland voor grondtroepeninzet in Servië schreef het IKV toe aan een 'lijkzakkensyndroom' (Politiek van goede bedoelingen, p.87). 

 

Zo belangrijk waren mensenrechten voor het IKV, dat men bereid was het Handvest van de Verenigde Naties ervoor opzij te schuiven. De NAVO-interventie vond namelijk plaats zonder toestemming van de VN-Veiligheidsraad. Maar hierin stond het IKV dan weer niet alleen: het Nederlandse kabinet en een flink deel van het parlement steunden deze positie. Dit passeren van de Veiligheidsraad alarmeerde Rusland, en leidde tot Russische maatregelen die het universalisme van mensenrechten verder ondermijnen.

 

Deze summiere schets is voldoende om de vraag op te roepen hoe mensenrechten en mensenrechtenactivisme zich verhouden tot (1) moraal (2) geweld (3) recht en (4) politiek. Die vraag is ook bij vluchtelingenopvang relevant.

 

Principes

Hierboven zagen we de strijd tussen 'belangen' en 'waarden'. Het probleem is niet dat waarden 'goed' zijn en belangen 'slecht', maar dat er bij de meeste kwesties een veelheid van belangen en waarden in het spel is. Ethische meningsverschillen ontstaan over de precieze weging van diverse waarden en belangen.

 

'Principes' zijn, in de opvatting van Achterhuis, iets tussen waarden en belangen in: een (samenstel van) beginselen, grondovertuigingen die het politiek handelen van groepen mensen feitelijk leiden. "[Principes] bepaalden een totale wijze van politiek bedrijven. Ze gaven zin aan de inzet van burgers en militairen die bereid waren er grote offers, tot dat van hun leven, voor te brengen". (o.c, p.55) 

 

Enkele historische voorbeelden zijn 'eer', het principe van de monarchie, en 'deugd', het principe van de republiek. 'Deugd' staat daar voor moed, snelheid van handelen en (politiek) oordeelsvermogen, met inbegrip van listigheid. Meer recente principes volgens Achterhuis zijn 'grandeur' in het Frankrijk onder De Gaulle en 'derzjava', het zijn van een regionale grootmacht, in de Russische politiek.

 

Zoals deze voorbeelden duidelijk maken, hoeven principes niet in juridische of ethische taal gesteld te zijn. 'Grandeur' en 'derzjava' verwijzen naar nationalisme.

 

Betekent dit dat 'pincipes' betrokkenen helder op het netvlies staan? Soms lijken 'principes' analytisch door een onderzoeker uit het mengsel van in een tijdvak, in een samenleving, levende culturele noties te worden gelicht en tot 'principe' verheven. Het lijkt geen vereiste dat betrokkenen (allemaal of in overwegende mate) zelf een notie leidend beginsel verklaarden.

 

Anderzijds is niet goed voorstelbaar dat mensen zich onbewust door een bepaald 'principe' laten leiden en eventueel daarvoor zelfs grote offers brengen. Enige voorbeeld dat daarbij in gedachten komt is sommig 'negatief nationalisme', dat verenigt via gedeelde vijandschap, meer dan via een positieve verbeelding.

 

Maar doorgaans hameren politici openlijk op het aambeeld van het in hun tijd lijdende principe, de Franse 'grandeur' of Russische 'derzjava'.

 

Achterhuis volgt Arendt als die het principe van de moderne tijd 'gelijkheid' verklaart. Arendt op haar beurt volgt hierin De Tocqueville. Die verwees met 'gelijkheid' allereerst naar civiel en politiek burgerschap. De burger won met deze 'gelijkheid' ten opzichte van een voorafgaande periode, waarin adel en koning/keizer in hoger aanzien stonden.

 

Mensenrechten zijn geen principe

'Gelijkheid' in zijn algemeenheid is een ethisch meta-beginsel (dat wil zeggen: geen 'positieve' waarde, zoals 'naastenliefde'). Het kan in veel contexten worden toegepast. Het verwijst naar achterliggende positieve waarden als 'billijkheid' en 'rechtvaardigheid'.

 

Maar wie zijn gelijk? Binnen de burgerij stelden vrouwen de gelijkheidsvraag opnieuw, net zoals de bevolking van westerse kolonieën dat deed aan degenen die hun beschaving kwamen brengen.

 

Ook in de vluchtelingenopvang anno 2016 keert de notie van 'gelijkheid' terug, in de vorm van het hameren op het hervestigen van een 'proportioneel' aantal vluchtelingen door EU-lidstaten.

 

Voor Ignatieff is gelijkheid de "morele intuïtie" achter mensenrechten. Het toekennen van mensenrechten aan iedereen, niet alleen aan burgers van de eigen natie, is voor hem teken van een morele vooruitgang van de mensheid, "an increase in our ability to see more and more differences among people as morally irrelevant", citeert hij de westerse filosoof Rorty (Human rights as politics and idolatry, 2001, p.4).

 

Impliciet in Ignatieffs bewering is dat, ook al mag deze intuïtie opgekomen zijn in westerse hoofden, in beginsel mensen overal op de wereld hem kunnen beamen. De kritische vraag is: hoezo?

 

Ignatieff claimt de transculturele mogelijkheid van deze morele intuïtie, die als een gnostische vlam onopgemerkt op de achtergrond brandt of in beginsel ontstoken kan worden in iedere sterveling. Wanneer iemand een pygmee voorhoudt dat in de kern alle mensen waar ook ter wereld gelijk zijn, wordt geappelleerd aan die transculturele intuïtie.

 

Zijn mensenrechten een principe? De gang van zaken in de Kosovo-oorlog bewijst voor Achterhuis dat ze dat niet zijn voor burgers van Navolanden:

 

Enerzijds vindt het publiek, al dan niet begeleid door de media, dat we aan onhoudbare geweldssituaties elders 'iets moeten doen'. Anderzijds lijkt niemand deze waarden van zulk groot politiek belang te vinden dat we bereid moeten zijn ervoor te sterven. De vraag of 'mensenrechten' het principe van een nieuwe politiek kan zijn, is hiermee in feite al negatief beantwoord. (..) [Mensenrechten] inspireren ons tot compassie en solidariteit maar die worden door verreweg de meesten afstandelijk beleefd. De ingezamelde knuffels voor Kosovo kunnen evenmin als de via moderne technologie van een veilige afstand ingezette bommen, gezien worden als voorbeelden van een nieuw politiek principe. (o.c, p.55-56)

 

Printscreen van een advertentie van Amnesty Nederland na de Tweede Kamer-verkiezingen van 15 maart 2017, met rechts commentaar op die advertentie 

Amnesty Nederland in een inmiddels bekende rol: ongevraagd adviserend. De keuze voor de advertentievorm geeft aan de actie iets dubbelzinnigs: men speelt niet mee, maar beïnvloedt (beoogd) vanaf de zijlijn. Maar beste stuurlui vanaf wal worden doorgaans niet gewaardeerd op zee. Midden jaren zeventig van de vorige eeuw pionierde werkgeversorganisatie VNO-NCW met de actievorm van de paginagrote advertentie in landelijke dagbladen. Doel was de plannen van het toenmalige kabinet-Den Uyl tijdig tegenwicht te bieden. Maar daar bleef het niet bij - binnen het CDA en VVD werden in daaropvolgende jaren politici actief, die later minister werden, met een achtergrond in het bedrijfsleven. De Amnesty-advertentie laat zich defensief lezen: "voor de zekerheid" drukt Amnesty de UVRM nog eens af in de krant.'Onze' politici zullen toch niet vergeten zijn wat het fundament onder onze beschaving is sinds 1948? 

 

Politiek is geen moraal op wereldschaal

Daarmee is een eerste probleem gegeven. Niet alleen zijn mensenrechten in de praktijk niet zo zwaarwegend als met de mond wordt beleden, ook begrijpt men het politiek bedrijf naar zijn aard verkeerd als men het voorstelt als moreel handelen op wereldschaal, en bij 'mensenrechtenactivisme' of 'opkomen voor mensenrechten' vage voorstellingen heeft van charitatief handelen of 'betrachten van barmhartigheid/solidariteit' - of dat laatste nu tot uitdrukking komt in bombarderen voor het goede doel of knuffels voor de arme kinderen van Kosovo.

 

Kenmerkend voor politiek als praktijk is een wij/zij-onderscheid, aldus Achterhuis, in navolging van de politiek filosoof Schmidt. Wanneer men mensenrechten uitdraagt als agenda van een mondiaal Wij, vervalt de grondslag van politiek.

 

Met de ratificering van diverse mensenrechtenverdragen zouden mensenrechten de iure gedepolitiseerd zijn. Wat zou resten zouden dan uitvoeringsproblemen zijn, met mensenrechtenorganisaties (en hun achterban/donateurs) als moreel opzichter, toezichthouder, aanmoediger.

 

Behalve zo een apolitieke is er ook een antipolitieke opvatting van mensenrechten mogelijk. Ook die kan een zekere afkeer van het politiek bedrijf zoals dat gewoonlijk beoefend wordt verraden. De term 'antipolitiek' maakte van eind jaren zeventig tot begin jaren negentig opgang, ten tijde van de dissidentenbewegingen in diverse Oostbloklanden. Bij mensen als Havel ging het om existentiële waarden, behoud van authenticiteit, inclusief 'in de waarheid leven'.

 

Beide opvattingen overlappen in hun verlangen 'voorbij' de politiek te gaan.

 

Maar er is ook een meer politieke opvatting van mensenrechten mogelijk. Opgevat als kosmopolitische 'minima moralia', een wereldomspannende streefagenda, erkent men dan impliciet of expliciet dat er tegenstanders van zo een agenda bestaan, hoewel zulke heersers/politici mensenrechten vaak genoeg met de mond zullen belijden, indien in hun belang. 

 

Utopisch ongeduld

Menen dat mensenrechten inmiddels breed gedragen agenda zijn of horen te zijn, verleidt ertoe om politiek handelen op dit gebied te reduceren tot instrumenteel. Een ander woord hiervoor is maakbaarheidsdenken.

 

Bij mensenrechtenactivisten toont het zich eerder in de krachteloze variant van ongeduld, aanmatiging. Men heeft het gelijk aan zijn zijde, en dan dit.

 

Een dergelijke instrumentele opvatting van politiek werd door Plato geïntroduceerd in de filosofie, aldus Arendt. Model voor hem stond de ambachtsman.

 

Een politicus vergelijken met een ambachtsman mist echter belangrijke verschillen tussen beide. Medemensen/politieke tegenstanders worden in die vergelijking gereduceerd tot te bewerken materiaal, en dat zijn ze niet. Ook miskent de meubelmakerbeeldspraak de aard van de weerstand van menselijk 'materiaal' tegen de blauwdruk in het hoofd van de politieke ambachtsman.

 

Het menselijk materiaal is diverser dan een stapel zandkorrels. Een veelheid aan meningen maar ook processen kenmerkt de publieke ruimte. Gebeurtenissen hebben als gevolg hiervan een dynamiek die niet volledig door de politieke ambachtsman te beheersen is. Aforismen en anekdotes getuigen daarvan, zoals "As Harold Macmillan famously answered when asked what a prime minister feared most: 'Events, dear boy, events'." en "Een week is lang in de politiek":

 

Het gaat om de erkenning van een nooit te beheersen of volledig te sturen maatschappelijke inertie, van een dimensie van collectieve krachten die niet tot gezamenlijke individuele wensen of voorkeuren herleid kunnen worden. (..) De goede staatsman kan met behulp van de virtu hoogstens leren er zo goed mogelijk mee om te gaan. (o.c, p.112).

 

Plato ontwierp zijn model juist in reactie op en uit onvrede over dit grillige karakter van de politiek, dat hij kende uit de Atheense democratie van zijn tijd. Hij wilde de willekeur temmen.

 

De politieke 'ambachtslieden' waren bij hem beoogd een elite van 'filosoof-koningen'.

 

Ongemak bij de beeldspraak 'lijkzakkensyndroom' of wanneer militaire woordvoerders over 'collateral damage' spreken, in het geval van burgerslachtoffers bij een drone-aanval, wijzen op een morele gevoeligheid voor een instrumentele en door het doel 'geheiligde' opvatting van geweld.

 

Utopisten zijn vatbaarder dan anderen voor miskenning van de uitoefening van geweld, vanwege de mooie idealen waardoor ze worden geleid. De vaak voor cynisch versleten Machiavelli niet. Machiavelli erkent dat een bereikt resultaat met terugwerkende kracht de minder fraaie weg ernaar toe glans kan verlenen, maar 'heiligt' daarmee geweldgebruik niet.

 

Houd je persoonlijke moraal buiten de politiek 

'Principe' is een politiek, geen moreel begrip. Achterhuis bepleit, wederom in navolging van Arendt, om het handelen in het publieke domein helder af te grenzen van dat in de privésfeer. Gebrekkig onderscheid daartussen is een andere valkuil voor mensenrechtenactivisme.

 

Beidse sferen zijn namelijk niet goed te vergelijken. In de politiek is het aantal betrokken actoren groter en daarmee vaak het aantal botsende belangen. Ook zijn in het publieke domein de onderlinge banden tussen actoren losser:

 

Tekenend voor de tegenstelling die ik hier aan de orde stel, is dat Robespierre, die zich steeds op de zuiverheid van zijn medelijdende gevoelens liet voorstaan, Machiavelli een 'onverschillige tirannentrawant' noemt. Dat zijn eigen schrikbewind in veel opzichten wreder was dan de vele wreedheden van tirannen die Machiavelli beschrijft, onderstreept eens te meer Arendts conclusie over de gevaren van medelijden in de politiek. (Achterhuis, o.c, p.80)

 

Robespierre verwarde beide ordes.

 

Ethische aanvechtingen zijn van grote waarde in het private domein en kunnen de bronnen zijn vanwaaruit iemand politiek actief is. Maar ethische overwegingen of richtsnoeren ongeclausuleerd overhevelen naar het publieke domein, en ze daar inbrengen als motief van je politiek handelen, raadt Achterhuis af. Het leidt onvermijdelijk tot onechtheid:

 

[Liefde] kwijnt weg en wordt onecht als ze publiekelijk tentoon wordt gespreid. Juist vanwege dit karakter 'kan de liefde niet dienstbaar worden gemaakt aan politieke doeleinden, zoals veranderen of redden van de wereld, zonder een valse of ontaarde liefde te worden' [Achterhuis citeert hier Arendt]. Het publieke domein is geschapen om het mensen mogelijk te maken als politieke wezens aan elkaar te verschijnen. (o.c, p.75).

 

Wie pleit voor een ander optreden van Nederland en de EU in de vluchtelingenopvang doet er goed aan beide ordes scherp te onderscheiden. Om vooruit te lopen op de discussie in De Balie: het daarin politiek uitventen van 'medemenselijkheid' door Amnesty-directeur Nazarski scheidt beide domeinen onvoldoende.

 

De wraak van de dobberneger

Ook burgers onderscheiden moraliteit/humaniteit en politiek soms slecht van elkaar. Zo publiceerde komiek Freek de Jonge ten tijde van de Kosovo-interventie een hartenkreet waarin hij moraal en politiek vermengde:

 

Staakt makkers staakt het vuren

Helpt kinderen helpt de buren

Voedt moeders voedt de monden

Heelt vrienden heelt de wonden

Sloopt mensen sloopt de muren

Staakt makkers staakt het vuren

 

Eind jaren zeventig had De Jonge nog op het punt gestaan zich aan te sluiten bij de terroristische Baader-Meinhofgroep ("Geweld zag ik nog als enige oplossing"). Hij deed het echter niet en modderde inactief, cynisch en zeurderig voort. 

 

Mogelijk was een humanitaire gezindheid het morele minimum waarop De Jonge eindigde. Zijn rijm haalde de tv, werd ook in de krant gepubliceerd, en ondersteunde een actie ten behoeve van 'de slachtoffers'. De Jonge verzorgde, samen met collega Youp van 't Hek, enkele liefdadigheidsoptredens.

 

Vijftien jaar eerder had De Jonge samen met onder andere Koot en Bie meegedaan aan een geldinzamelingsactie voor Amnesty International, geïnspireerd door het voorbeeld van Britse collega's.

 

Behalve De Jonge vatte ook het grote publiek in 1999 mensenrechten allereerst humanitair op, leek het. Belgisch filosofe en literator De Martelaere maakte korte metten met wat zij als vals gevoel ontmaskerde. Het had abstrahering van concrete mensen als voorwaarde, in overeenstemming met de bekende zegswijze 'Een idealist houdt van de mensheid, niet van mensen'.

 

Als ondermijnend voorbeeld voerde De Martelaere een Kosovaarse jongen van twaalf op, die door een verlaten landschap voorttrekt met zijn zusje van zeven op een uitgehongerde ezel:

 

Allemaal voelen we de Disney-kijker in ons aangesproken, we krijgen een brok in de keel van ontroering. (..) Maar wat indien de twaalfjarige jongen stiekem de hele nacht zijn zusje had mishandeld en gefolterd? (o.c, p.81-82)

 

Vals humanitaristisch sentiment is anno 2016 koren op de molen van sites als GeenStijl en TPO. Dat men soms vals moralistisch overtoept, zoals columniste Ebru Umar die heilig verontwaardigd is over Syrische vluchtelingenouders die hun kinderen de Middellandse Zee opsturen op gammele bootjes, terwijl zij ze nog zo gewaarschuwd had het niet te doen vanwege de verdrinkingsrisico's, doet daar niet aan af.

 

Het wijst nogmaals op het risico de eigen morele inborst politiek in te zetten.

 

 

 

Hank den Drijver (links) zorgt voor de centjes en stoort elitaire kunstverzorgers Kees van Kooten en Freek de Jonge (Een Gebaar, 1983). Rechts: 'Four Yorkshiremen', sketch uit The Secret Policeman's Ball, 1979

 

De makke van Amnesty's apolitieke marketing

Amnesty International heeft hier een probleem: het moraliseert en sentimentaliseert geregeld in het publieke domein, het laatste in de marketing. Als het gaat om verwerven van inkomsten, neigt Amnesty International burgers allereerst als consumenten/klanten te benaderen, die worden gepaaid, behaagd.

 

De afgelopen jaren voerde Amnesty Nederland in de publiekscommunicatie 'vrijheid', 'gelijkheid' en 'rechtvaardigheid' hoog in het vaandel. Het drietal leek meer bedoeld om handzaam met de (beoogde) achterban/donateurs te kunnen communiceren dan als geclaimde overkoepelende waarden achter mensenrechten, waaruit ze alle af te leiden zouden zijn, of als 'principes'.

 

De drie woorden lijken slechts 'nominalistisch' terug te verwijzen naar de losse verzameling juridische mensenrechten. Met een marketingbril op zijn het echter geschikte hoera-woorden, vergelijkbaar met 'witter' ('Wast nu nog witter'), 'verbeterd' ('verbeterde formule') en 'ambachtelijk' ('ambachtelijk bereid').

 

De woorden klinken goed, iedereen is voor, men wint zijn gehoor voor de boodschap en verwijst naar niets werkelijks dus kan ook geen aanstoot geven.

 

De missie van Amnesty International - de implementatie van alle mensenrechtenverdragen - communiceert ook niet lekker. Tot het realiseren van deze wereldomspannende juridische doelstelling verplicht Amnesty zich slechts een inspanning te plegen, op zich realistisch maar niet erg inspirerend:

 

Amnesty International streeft naar een wereld waarin iedereen alle rechten geniet die zijn vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere internationale mensenrechteninstrumenten. 

 

Mogelijk vertaalt menig donateur de weinig aansprekende juridische opdracht stilzwijgend in een meer aansprekend universeel humanitaristische missie, zoals 'Overal in de wereld willen mensen een gewoon leven leiden en ouders het beste voor hun kinderen'. 

 

Amnesty International houdt ze niet actief tegen. Van 'supporters' die op het twitteraccount van Amnesty Nederland moralistische loftuitingen plaatsen wordt geen afstand genomen door de medewerkers van het Amnesty-webteam.

 

Men wil dat mogelijk ook niet. Een te uitgesproken 'politiek' profiel (in de betekenis van 'links' of 'rechts' of een opvattting over 'nationale identiteit' en veroordelingen van concrete politieke partijen) kan ten koste van het aantal donateurs gaan.

 

Ook maakt ogenschijnlijke politieke partijdigheid Amnesty International minder moreel superieur. Een onthechte positie boven de partijen, als de ideaaltypische rechter, heeft de voorkeur, qua beeldvorming.

 

Adverteren/communiceren met 'politiek onschuldige' kaarsen, kerst- en nieuwjaarskaarten, eeuwige Chinese wijsheden of poëzie is het veilige alternatief. Of terugkoppelen hoe dankbaar mensenrechtenactivisten zijn voor ontvangen kaarten met een steunbetuiging van een westerling.

 

Amnesty wil meer zijn dan een juridische NGO, maar zoekt het 'meer' in een onbestemde kosmopolitische ethiek.

 

Dit depolitiserend karakter kan men als een nadeel van sommig publiek optreden van Amnesty International aanmerken. Bij vrijwilligers die vooral een moralistische of vaag religieuze boodschap van solidariteit preken (kaarten sturen aan een gewetensgevangene als blijk van solidariteit van mens tot mens) kan men zich afvragen of ze aan politiek doen.

 

Verzamelafbeelding waarin zes keer een vermeend Chinees spreekwoord in de mond wordt gelegd van respectievelijk Confucius, Eleanor Roosevelt, president John F. Kennedy en een onduidelijke swami

 

De bordjes zijn verhangen. In Nederland vertegenwoordigt sinds 2004 eerder Hans Teeuwen dan Freek de Jonge het maatschappelijk normaal, met in Teeuwens slipstream columnisten als Annabel Nanninga of libertarisme als dat van Penn & Teller. 

 

Het politiek maken van moraal: Amnesty's activisme

Politieke twist over mensenrechten gaat over de juridische uitleg van verdragsbepalingen, maar ook over proportionaliteit. Hervestigen alle EU-landen een proportioneel aantal vluchtelingen?

 

Daarnaast zijn zulke twisten vingerwijzing dat, hoewel mensen soms in bepaalde opzichten aanvaarden dat iedereen mensenrechten heeft, ze soms deze of gene groep of deze of gene situatie van die universaliteit uitsluiten.

 

Moraal en politiek elkaar ontmoeten in het recht, in juridische verdragen en het gevecht om de interpretatie, implementatie of handhaving ervan.

 

Om politiek een vuist te kunnen maken, blijven mensenrechtenorganisaties strikt binnen de juridische formuleringen van mensenrechtenverdragen en de gangbare jurisprudentie. Die vormen de basis van hun zichzelf toegekend opzichtergezag, hun rol van kosmopolitisch verkeersagent.

 

Daarnaast kunnen mensenrechtenorganisaties op lokale/nationale politici invloed uitoefenen door mensenrechten te bepleiten met een beroep op cultureel met lokale politici en burgers gedeelde waarden.

 

En als politici al niet gevoelig zijn voor het moreel appel, dan eventueel voor de eventueel gemobiliseerde massa kiesgerechtigde burgers die de morele oproep steunen.

 

Opvallend bij Amnesty International is het laten verpieteren van een equivalent van politieke burgerdeugd. De burger wordt, althans in rijke westerse landen, vooral aangesproken als consument/donateur. 

 

Een aparte aanblik biedt een klein gezelschap betaalde bureaumedewerkers van Amnesty International dat 'symbolisch' actie voert. Men huurt bijvoorbeeld een hijskraan om een dure actieslogan, bedoeld voor een te bemoraliseren ambassade van een aan te spreken land, dat ergens hoog gehuisvest is, op te hijsen. Foto's op Facebook getuigen na afloop van de werkelijkheid van de actie. Donateurs of sympathisanten kunnen met likes en commentaren op sociale media Amnesty International toejuichen.

 

Het 'lidmaatschap' van Amnesty International is als dat van het Wereld Natuur Fonds. Amnesty International voert als professionele NGO gedelegeerd uit waar donateurs de fondsen voor verschaffen, en koppelt geregeld terug dat het geld goed is besteed en niets aan de strijkstok is blijven hangen. 

 

De 'fysiek' actieve achterban van Amnesty International is beperkt in omvang, acties bestaan vooral uit het af en toe digitaal of op papier ondertekenen van een petitie of sturen van een brief. Niemand komt in de verleiding Amnesty-vrijwilligers als leden van een activistische vakbond te zien, of de rumoerige 'basis' van een aan de weg timmerende politieke partij of "grassroots"-beweging. 

 

Door de juridisch-ethische opstelling wekt Amnesty International soms de indruk politiek handelen, net zoals Plato of utopisten, als instrumenteel te zien. Mensenrechten zijn dan eeuwige waarheden gebeiteld in Stenen Tafelen en Amnesty International, naast globaal politieagent, ook Mozes van de mensenrechten.

 

Men kan agent of docent zijn op basis van heftige morele aanvechtingen of vanuit een frikkerige behoefte anderen op hun fouten te wijzen. In beide gevallen kan men de vraag verwachten: waar bemoeit u zich mee en op welke titel?

 

 

De verleiding bestaat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens dezelfde ahistorisch goddelijke statuur te verlenen als vermeend de Tien Geboden

 

Een pose van Amnesty International als morele autoriteit lijkt op de houding van sommige priesters en wetenschappers, die menen te spreken namens God respectievelijk de Objectiviteit.

 

Een moreel-juridische aanpak heeft zijn beperkingen. Zo heeft de Paus die Italiaanse maffiosi de toegang tot de Heilige Communie ontzegt meer invloed op de gehekelde groep dan Amnesty International op een door haar in een mensenrechtenrapport gehekeld autoritair bewind waarvan de toplaag zichzelf verrijkt.

 

Risico van een zelfbeeld als erkende morele autoriteit is anti-intellectualisme. Amnesty Nederland-directeur Nazarski heeft er een handje van om in publieke optredens anekdotes van ontmoetingen met inspirerende personen of slachtoffers te berde te brengen.

 

Dit verstrekken van moraliserend dan wel inspirerend bedoelde peptalk kan men retorisch duiden als een poging om niet als god/Mozes van de mensenrechten door de mand te vallen door in een 'horizontaal' gesprek te belanden met juridisch of intellectueel goed onderlegde gesprekspartners.

 

Zulk gedrag kan echter ook voortkomen uit een bescheiden taakopvatting van 'moreel cheerleader'. Echter, het appel van cheerleaders berust doorgaans niet op hun morele kwaliteiten.

 

Ethische argumenten hoeven niet hooggestemd te zijn. Zo appelleert Amnesty International ook wel eens aan de micro-moraal van "een man een man, een woord een woord". Een staat beloofde een bepaald bedrag bij te dragen aan de opvang van vluchtelingen in de regio maar doet het niet. De EU-lidstaten beloofden een bepaald aantal vluchtelingen te hervestigen maar maken geen haast met de uitvoering.

 

Het bekende 'naming and shaming' maakt gebruik van de wens van de gehekelde fatsoenlijk over te willen komen. Staten claimen mensenrechten te onderschrijven en hebben zich in veel gevallen juridisch gecommitteerd. Amnesty International gedraagt zich als hun 'betere ik' - namens de wereldburgerleden van de vereniging - en kritiseert het achterblijven van de praktijk bij de internationale juridische norm. Steeds weer.

 

Zulk moreel mensenrechtenactivisme is parasitair op de georganiseerde politiek. Wanneer gedreven door de behoefte een rechtsstaat of internationale rechtsorde te onderhouden en uit te bouwen, kan het worden opgevat als een vorm van politiek handelen. Het is een politieke tactiek.

 

 

De beperkingen van mensenrechtenactivisme als morele politiek

Mensenrechtenorganisaties zien mensenrechten veelal als ethisch-juridische begrippen. Hun zelfbeeld is vaak dat van een ethisch-juridische organisatie. Maar om mensenrechtenverdragen te implementeren, werkelijkheid te maken, kan men niet om de politiek heen.

 

Een fragment uit De heerser van Machiavelli geeft de lastigheid daarvan voor organisaties als Amnesty International weer:

 

Er is zo'n groot verschil tussen hoe men leeft en hoe men zou moeten leven dat iemand, die wat men doet verwaarloost voor wat men zou moeten doen, eerder zijn ondergang dan zijn redding tegemoet gaat. Want een man die zich altijd en overal goed betoont, gaat noodzakelijk te gronde te midden van zovelen die niet goed zijn. (Niccolò Machiavelli, hoofdstuk XV, De Heerser)

 

Machiavelli raadt in deze passage geen immoraliteit aan in de politiek maar wijst er wel op dat een principiële opstelling en succes met elkaar op gespannen voet kunnen staan. Ook heeft hij weinig begrip voor naïviteit.

 

Wil Amnesty International succes boeken, dan kan het niet volstaan met tevredenheid over de ethische hoogstaandheid van de door haar ingenomen posities en het politici oproepen ook zulke hoogstaande posities in te nemen.

 

Toch verklaart het citaat ook waarom de handen van Amnesty International en andere mensenrechtenorganisaties meer gebonden zijn dan die van andere politieke actoren. Tegenstanders gebruiken soms onethische methoden om hun doel te bereiken en Machiavelli raadt de principiële soms, met het oog op resultaat, vergelijkbaar ruig ingrijpen aan (het is de vraag of hij daarbij uitendelijk een morele calculus gebruikt, in de zin van het minste van twee kwaden voorschrijven in situaties van alleen ellendige keuzes).

 

Zo is bij Machiavelli geveinsde moraliteit voor een politicus altijd raadzaam, werkelijke moraliteit soms. Voor Amnesty International, dat zich voorstaat op zijn ethisch-juridische inborst, is onethisch optreden geen begaanbare weg. Het morele afbreukrisico is te groot.

 

Amnesty International beschikt over een vreemdsoortig politiek kapitaal, dat van 'morele autoriteit'. Het heeft die in de begintijd opgebouwd en teert daar nog steeds op. Die goede naam verschaft oordelen en aanbevelingen van Amnesty International een zeker gezag en zekere invloed, meer dan hetzelfde oordeel of dezelfde mening uit de mond van een particulier.

 

Morele autoriteit is een andere bron van politieke invloed dan de macht van het getal, van een grote groep mensen die een bepaalde Amnesty-petitie ondertekenen. Bepaalde manieren van optreden, die een mensenrechtendoel kunnen helpen bereiken, staat Amnesty International zichzelf om die reden niet toe, mede vanuit welbegrepen eigenbelang.

 

Het laat onverlet dat wie resultaat wil boeken én daarbij de moraal een rol wil laten spelen opereren moet als een 'machiavellistisch idealist' of 'idealistisch machiavellist', aldus Achterhuis in een ander boek (Met alle geweld, 2008). De woordcombinatie ontleent hij aan een interview met iemand die het ideaal zijns inziens belichaamde: oud-minister van Buitenlandse Zaken en oud-VN-rapporteur voor de mensenrechten Max van der Stoel.

 

Van der Stoel beschikte in zijn functies echter over meer machtsmiddelen die Amnesty International ter beschikking staan:

 

Je begint er natuurlijk mee mensen aan te spreken op hun gevoel voor redelijkheid. Als ze dan vervolgens blijven dwarsliggen, wordt het tijd om de duimschroeven aan te draaien. (Bas Heijne, Kopstukken (2004), p.12)

 

Max van der Stoel et takenpakket van Eduard Nazarski, directeur Amnesty Nederland, bevat ingrediënten die de opbouw van een stevig imago bemoeilijken. Beheer van de schijn is onderdeel van de taken van een politicus volgens Machiavelli Sean MacBride, vermaard boegbeeld van het vroege Amnesty International, met een woest politiek verleden in Ierland

 

Afgemeten aan de missie is Amnesty International een zelfbenoemde globale politieagent, wiens wapenstok het standje is. Het controleert of landen hun mensenrechtenverplichtingen wel nakomen. Het zet ze onder druk door het aangerichte leed te becijferen en moreel uit te baten ('naming and shaming'). Hierin is een bescheiden rol weggelegd voor burgers die lokaal wat doen onder de vlag van Amnesty International. Academici trachten tegenwoordig het effect van zulke inspanningen empirisch aan te tonen, met steviger dan anekdotisch 'bewijs'.

 

Iets ruimhartiger kan men Amnesty International zien als enthousiast bevorderaar van de implementatie van mensenrechtenverdragen, de rechtsstaat en de internationale rechtsorde. In politieke lobby vooraf wijst Amnesty International soms op de schadelijke gevolgen voor de mensenrechten van bepaalde wetsvoorstellen. Men probeert de officiële politiek te beïnvloeden. Dit lobbyende Amnesty International is 'onderdeel van het systeem'.

 

Medemenselijkheid, meneer Zonneberg

Amnesty-directeur Nazarski beet in De Balie het spits af en begroette het publiek met "vrienden". Mogelijk verleidde deze a- of antipolitieke opstelling hem om zijn inbreng op het eind te kwalificeren als "dingen ter overpeinzing die hopelijk niet al te gek zijn". Nazarski leek op persoonlijke titel te spreken. Het is niet aannemelijk dat Amnesty Nederland bij monde van de directeur meedeelt eigenlijk geen helder idee te hebben hoe het verder moet. 

 

Is iemands doel tegenstanders te overtuigen, dan is een knieval aan het begin ("Ik ben ook maar een worstelend mens die de uitgang zoekt") niet bevorderlijk voor succes, hoogstens ontwapenend en op die manier sympathie wekkend bij het publiek.

 

Nazarski begon met een terugblik op een debat twee maanden eerder, ook door Amnesty International georganiseerd. Daarin hadden Gerald Knaus, architect van de zogenaamde EU-Turkijedeal, en die Turkijedeal zelf centraal gestaan.

 

Knaus had in dat debat zijn visie op zijn deal gegeven. Die doorbrak volgens hem een patstelling in de EU, die in een crisis dreigde te ontaarden. Duitsland en Zweden namen relatief veel vluchtelingen op, andere EU-leden weigerden soms categorisch. Maar een half jaar ervaring met de uitvoering van zijn deal leidde Knaus tot een hard negatief oordeel over de EU-lidstaten. Bij ongewijzigd beleid stevende de EU af op een Europees Nauru, het oord der verschrikking voor de Australische kust: Griekenland.

 

Nazarski meldde in dat eerste debat een spanning gevoeld te hebben tussen pragmatisme en realpolitik aan de ene kant, en het in het gedrang komen van medemenselijkheid en bescherming van vluchtelingen aan de andere. 

 

Nazarski wekt hier ten onrechte de indruk met een dilemma te worstelen. Een dilemma was geweest als Nazarski de noodzaak van pragmatisme of realpolitik onderschreven had maar tegelijk ook die van bescherming van vluchtelingen. Nazarski oordeelt feitelijk betrekkelijk eenduidig negatief over de EU-Turkijedeal en het EU-vluchtelingenbeleid.

 

Tom-Jan Meeus, een door velen gewaardeerd politiek commentator, verklaarde 24 december 2016 de EU-Turkijedeal de grootste nationale politieke prestatie van het jaar. Nationaal, want de deal werd gesloten onder ons voorzitterschap van de EU. Zijn argumenten:

 

De burger, in Nederland en daarbuiten, vroeg uitdrukkelijk om minder vluchtelingen. De kansen op een oplossing waren klein. De EU bewaakte haar buitengrenzen zwak. De verdeeldheid binnen de EU over verdeling van vluchtelingen maakte een akkoord met Turkije voor veel lidstaten niet urgent. Intussen transformeerde Erdogan tot een onberekenbare autocraat.

 

Dus dat de deal er in maart toch kwam, en dat de vluchtelingeninstroom van Turkije naar Griekenland nadien vrijwel
verdween, was een klein mirakel, waarbij Rutte en in mindere mate Samsom een rol van betekenis speelden. Knap gedaan.

 

Meeus waardeert niet alleen het vermogen om een compromis tot stand te brengen, ook de inhoud en het geboekte resultaat tellen mee. Hij lijkt het op deze manier bijeenhouden van de EU te waarderen, evenals het behoud van een zeker draagvlak voor de EU bij burgers van diverse landen. Bij die burgers veronderstelt Meeus ontbrekende bereidheid nieuwe vluchtelingen asiel te bieden. Het is goed dat de EU daarnaar geluisterd heeft. En de deal blijkt, tot verrassing van menig criticus, tot en met december 2016 te werken.

 

Migratie-expert oordeelt dat Meeus in het Turkijedeal-frame getrapt is

 

Meeus zal de strekking van het VN-Vluchtelingenverdrag snappen. Toch percipieert hij mogelijk de asielzoekers niet als rechtdragers maar als humanitair probleem. De asielzoeker belandt dan in de categorie 'voorwerp van liefdadigheid'.

 

In zijn afweging laat Meeus onder andere als waarde meewegen: het behoud van de EU. Dat is vergelijkbaar met hoe Knaus zijn deal verdedigde (en net zo kan het prioriteren van het een of meer mensenrechten in bepaalde situaties ertoe leiden dat andere mensenrechten er onder lijden).

 

Voor de beoordeling van de EU-Turkijedeal is het natuurlijk van belang te weten hoe reëel het dreigende uiteenvallen van de EU was, en hoe reëel de belasting van EU-lidstaten door nieuwe vluchtelingen. Stel dat de te hoop lopende burgerij slecht geïnformeerd was, dat sommige politici fabeltjes verspreidden voor politiek gewin en uitvoering van het Vluchtelingenverdrag goed te doen zou zijn geweest? Dan zouden vluchtelingen de zondebok zijn.

 

Nazarski over hoe vooruitgang te boeken

Alvorens zijn suggesties te doen, somde Nazarski een aantal kwalijke standen van zaken in het EU-beleid op:

  1. De dreiging van het sluiten van nieuwe deals met onveilige landen (Soedan, Egypte, Afghanistan)
  2. Het wensdenken/voluntarisme van menen op stel en sprong asielprocedures en een asielsysteem uit de grond te kunnen stampen op hotspots aan de buitengrens van Europa, zoals Italië, of in de landen van (beoogde) deals, terwijl de ervaring met het Nederlandse asielsysteem is dat inrichten van procedures veel tijd kost
  3. Het veel te weinig investeren in de - door de EU zelf gewenste - opvang in de regio. 

En memoreerde dat het recht op asiel de afgelopen decennia altijd zwaar bevochten heeft moeten worden. Vaak zorgden dramatische incidenten pas voor een doorbraak. 

 

Nazarski deed deze laatste uitspraak in de context van het begrip "maatschappelijk draagvlak", waarop veel hedendaagse politici zich beroepen om allerlei 'nee's' mee te verdedigen, op de wijze van: "Ik zou misschien wel willen, maar ik moet en wil ook rekening houden met het maatschappelijk draagvlak voor deze maatregelen".

 

Inderdaad: Nazarski stelde zich, zonder zich enig moment als zodanig te presenteren, hier op als een wetenschapper of politiek commentator.

 

Aanvullend analyseerde Nazarski de termen waarin de discussie de afgelopen decennia is gevoerd. Aan de ene kant zijn er mensen die over de vluchtelingenopvang spreken in termen van solidariteit, humaniteit en internationaal recht, aan de andere kant mensen die de noodzaak benadrukken 'onze manier van leven' te beschermen. Vluchtelingenopvang bekijkt men vanuit de dreiging van terreur, rare religie / botsende of in elk geval andere cultuur, en negatieve economische gevolgen (het innemen van banen en huizen). De toon van het debat is recent verruwd, maar de termen waarin het wordt gevoerd zijn al langer onder ons.

 

Hier gedroeg Nazarski zich de facto enigszins als een politicus. Zijn tweede kritiekpunt is niet strikt afgeleid uit mensenrechtennormen en onder het mom te beschrijven hoe er zo al door anderen is gediscussieerd, kiest Nazarski impliciet partij.

 

Een pleidooi voor de internationale rechtsorde en voor humaniteit en solidariteit bleek vervolgens de hoofdmoot van Nazarski's drie suggesties voor een betere vluchtelingenopvang:

 

1. Met voorstellen komen die praktisch en uitvoerbaar zijn en in een halve minuut uit te leggen. Het blijkt concreet te gaan om voorstellen die Amnesty al langer doet: (a) betere opvang in de regio dan nu - hoewel Nazarski toegeeft dat daar al 30 jaar om wordt gevraagd - met als implicatie (b) sterke uitbreiding van het hervestigingsprogramma van vluchtelingen. Voor Nederland betekent dat: van de huidige 500 naar 15.000 tot 20.000 gehervestigde vluchtelingen per jaar.

 

2. Werken aan een groter maatschappelijk draagvlak. Eerst begrip kweken bij de groep die zich bedreigd voelt in 'onze manier van leven', dan steun verwerven. Hier ligt ook een taak voor Amnesty International (ook lokaal, lijkt Nazarski te bedoelen). Zowel begrip als steun kunnen meer, maar wellicht ook beter, dan nu gekweekt / verworven worden. Concreter dan dit werd Nazarski niet.

 

3. Lokale initiatieven rond/met vluchtelingen (statushouders) steunen, door eventueel aanwezige bureaucratische rompslomp te verminderen of weg te nemen en door meer ruchtbaarheid te geven aan de (gunstige) resultaten. Langs deze weg zou o.a. de landelijke politiek vanuit de lokale politiek beïnvloed kunnen worden.

 

Tot slot beantwoordde Nazarski een filosofische vraag die hij als een breekijzer bedoelde voor de discussie, en waarvan beantwoording de huidige politieke stagnatie zou kunnen helpen doorbreken, meende hij: wat is er erg aan wanneer we geen vluchtelingen meer toelaten en we ze dwingen in de regio te blijven (deze houding veronderstelde Nazarski momenteel de dominante onder beleidsbepalende politici)?

 

Overtuigingskunst

Nazarski voerde in zijn antwoord op zijn filosofische vraag een argument van welbegrepen eigenbelang op (stabiliteit en veiligheid in de wereld) en deed een beroep op medemenselijkheid/solidariteit, die hij zelf het belangrijkst vindt. Hijzelf werd en wordt bijvoorbeeld sterk geïnspireerd door een arts die hij op Lampedusa heeft ontmoet.

 

Waarschijnlijk was deze laatste opmerking bedoeld als fait divers. Mensen die zich bedreigd voelen zijn gevoeliger voor een argument van 'welbegrepen (nationaal) eigenbelang', op voorwaarde dat zij zich in dit eigenbelang herkennen. De opmerking leek ook een hartekreet of poging zichzelf of vrienden in de zaal een hart onder de riem te steken. Maar Nazarski leek er ook zijn geloof mee uit te drukken in de mogelijkheid van aanvulling van het moreel deficit van de mensen die nu afkerig zijn van vluchtelingen, van hen de hun nu ontbrekende medemenselijkheid bij te brengen.

 

Daarbij dacht Nazarski mogelijk ook aan leidende nationale politici, waarop Amnesty International voor de uitvoering van wensen is aangewezen. Als Samson (op dat moment nog niet weg uit de landelijke politiek) nu eens te overtuigen was van zijn heilloze Turkije-deal of Zijlstra, Azmani of Ten Broeke wat 'medemenselijkheid' bij te brengen was!

 

Een beroep op welbegrepen eigenbelang heeft een schadelijk neveneffect. Zo wijst Nazarski op het gevaar van de vatbaarheid voor jihadistische ronselaars van mensen in totaal uitzichtloze situaties. Dat risico kunnen Nederlanders maar beter in hun eigen belang bezweren. Bange Nederlanders, in hun angst dagelijks gevoed door autochtone ronselaars, missen mogelijk de pointe: het gevaar is niet de 'vreemde' religie van sommige vluchtelingen maar hun uitzichtloosheid, bijvoorbeeld die van een twintigjarig verblijf in een vluchtelingenkamp.

 

Ook de spreker na Nazarski, Van Houtum, zette onder andere in op 'welbegrepen eigenbelang', zij het met een ruimere strekking dan in het voorbeeld van Nazarski, zonder echter precies te worden (na 55 min, 'chaos; we kunnen het niet hebben, gemarginaliseerde rechtelozen, statelozen, aan de randen van en binnen onze samenleving').

 

In deze retorische strategie probeert men de opponent (of diens aanhang) voor zich te winnen door met hem op te denken en hem van ongevraagd advies te voorzien. Nadeel is dat men diens probleemdefinitie overneemt. Misschien vindt men immers zelf dat het probleem ergens anders in zit. Aangezien het winnen van het 'framen' van een kwestie belangrijk retorisch voordeel oplevert, is het niet raadzaam in het frame van de ander te praten.

 

Andere zwakte is dat men goede trouw bij de opponent veronderstelt, in dit geval die van werkelijk een oplossing van de tekortschietende vluchtelingenopvang voor ogen hebben. In sommige gevallen is die aanname onterecht. Soms is het bestendigen van een angstbeeld voor een politicus lonend. Daarmee dient hij of zij dan niet het algemeen belang maar zichzelf of een ander dan het algemeen belang.

 

Van Houtum hekelt in zijn bijdrage onder andere de angsttaal die wordt gebezigd rond vluchtelingen en migranten. Water- en insectenbeeldspraak overheerst. Overstromingen, dijken die op doorbreken staan, dammen die moeten worden opgeworpen, en de vluchteling als parasiet. Afgezien van de discriminerende ondertonen vindt Van Houtum het feitelijk onjuist. "Als wetenschapper" zou hij het zeer toejuichen wanneer er wat nuchterder en rationeler over de materie gesproken werd.

 

 

 

'Fobische beeldtaal': Van Houtum noemde de linker afbeelding, afkomstig uit een officieel EU-rapport, een 'cartografische invasie'. Het gaat om 1 miljoen vluchtelingen die de EU in 2015 betraden. Hoewel de vergelijking mank gaat, noemde Van Houtum als contrast het aantal toeristen dat Frankrijk jaarlijks bezoekt: 60 miljoenZo doen officiële EU-rapportages mee aan stemmingmakerij.

 

 

 

Van Houtum meldde 'an inconvenient truth' van het EU-vluchtelingenbeleid: de EU-buitengrenzen vormen momenteel de dodelijkste grens op aarde: 31.000 mensen stierven er de afgelopen jaren, onder medeverantwoordelijkheid van de EU. "We hebben een politiek van de dood geïntroduceerd". Links de poster gebruikt door Nigel Farage tijdens de BREXIT-campagne, ander voorbeeld van fobische beeldtaal.

 

Nazarski beaamde, na een vraag uit de zaal, dat de zorgen van mensen - kunnen wij die 20.000 mensen per jaar wel aan, qua kosten, huisvesting, concurrentie om banen - het verdienen om serieus genomen te worden. Hervestiging is zijns inziens echter goed te plannen, en de taakstelling niet onmogelijk ambitieus.

 

Andere sprekers vielen Nazarski hierin bij. Van Houtum had even eerder (69.25 min) al een bevinding uit onderzoek met het publiek gedeeld, bevestigd op andere gebieden dan vluchtelingenopvang: de vermeende 'stemming onder het volk' over migratie en vluchtelingen blijkt in elk van de door hem en zijn collega Lucassen bestudeerde tijdvakken sterk samen te hangen met hoe de landelijke politiek de situatie voorstelde. Politici zijn in elk tijdvak zelf in belangrijke mate 'stemmingmakers'.

 

En ook volgens Van Houtum en Bruin zijn 20.000 hervestigers te hanteren. Volgens Van Houtum duwt de nationale politiek nu burgers aantallen door de strot. Door burgers erbij te betrekken en hun inbreng serieus te nemen, zou hervestiging harmonieus te regelen zijn.

 

Met Nazarski was Van Houtum het eens dat er meer draagvlak voor vluchtelingenopvang in de Nederlandse samenleving is dan in de beeldvorming/media doorsijpelt. Om de een of andere reden haasten politici zich om elkaar rechts in te halen.

 

Nazarski op zijn beurt noemde dan weer, op een ander moment in het debat, het geringe aantal afgewezen asielzoekers dat feitelijk kan worden uitgezet een probleem voor het behoud van draagvlak voor vluchtelingenopvang.

 

 

Kabinet-Lubbers III (1989 - 1994) bezuinigde én werd geconfronteerd met vluchtelingen uit het door een burgeroorlog geplaagde, uiteenvallende Joegoslavië. Meerkosten voor opvang werden over de departementen omgeslagen. CDA-minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek hanteerde het Vluchtelingenverdrag en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als maatstaf bij de beoordeling van de inbreng van deze of gene, aldus Hedy D'Ancona. Om die reden keerde het kabinet zich tegen pogingen gezinshereniging beperkingen op te leggen. Het huidige kabinet doet dat wel, in het kader van een vermeend ontmoedigingsbeleid.

 

Politieke wil

Een tweede ronde van het debat werd afgetrapt door oud-PvdA-politica, -minister en -EU-parlementariër Hedy D'Ancona. Recent heeft ze, samen met oud-collega Jan Pronk, een pamflet over vluchtelingenopvang geschreven en online gezet, 'Partij Kiezen. Veel punten uit dat plan, door haar ook 'vergezicht' genoemd, had ze maandagavond al door andere sprekers genoemd horen worden.

 

Volgens sommig onderzoek is vluchtelingenopvang een urgent nationaal probleem. Pronk en D'Ancona meenden dat het daarom wenselijk zou zijn als de landelijke partijen er in hun verkiezingsprogramma's de nodige aandacht aan zouden besteden. Tegen die achtergrond hebben ze hun pamflet geschreven, dat is bedoeld voor alle partijen.

 

In hun analyse wijzen Pronk en D'Ancona op de medeverantwoordelijkheid van Europa voor de vluchtelingenproblematiek en daarmee ook voor het komen tot een oplossing. Zij kiezen daarbij voor humane oplossingen.

 

Sprekend in De Balie was D'Ancona uitnodigend en open. Het pamflet daarentegen is quasi deductief opgezet, alsof het gehoor wel mee 'moet' met de auteurs, nadat men bepaalde premissen heeft geaccepteerd.

 

D'Ancona had tot dusver nog geen reactie, ook niet van partijgenoten, op het plan ontvangen. Het onderstreepte mogelijk indirect waarin D'Ancona later Evelien van Roemburg van OxfamNovib, vijfde gaste, bijviel: belangrijke sleutel tot verandering ten goede is politieke wil.

 

D'Ancona begon met een terugblik op het politiek klimaat ten tijde van haar staatssecretariaat. Vluchtelingenopvang werd toen, volgens een stilzwijgende afspraak, niet gepolitiseerd. Dat is nu anders, hoewel het haar en Pronk was opgevallen hoe  weinig de concept-verkiezingsprogramma's over het onderwerp te melden hebben, in contrast met het verklaard gewicht. (Vluchtelingenwerk Nederland analyseert altijd alle verkiezingsprogramma's op de vluchtelingenparagraaf. Lenny Reesink, lobbyist van Vluchtelingenwerk Nederland en laatste gast maandagavond, meldde dat het onderwerp dit jaar juist wat meer tekst dan gebruikelijk krijgt).

 

Ook vanuit de bevolking was er tijdens haar regeerperiode geen noemenswaardig verzet tegen de komst van AZC's, wel van de kant van burgemeester en wethouders van steden waar D'Ancona er een wilde openen. Tien jaar later, toen sommige AZC's werden gesloten, wilde men ze juist open houden, vanwege de lokale werkgelegenheid.

 

In de huidige discussie zag D'Ancona geen Haags politicus of -ca die zich opwerpt voor vluchtelingenopvang en met een sterk verhaal de bevolking meeneemt. In plaats daarvan "wordt het gekanker gemobiliseerd" (105 min).

 

Reesink viel D'Ancona daarin impliciet bij. Zij belobbyt doorgaans tevergeefs politici en beleidsmakers, maar merkte op dat politici zich in die gesprekken veelal genuanceerder uitlaten dan in het openbaar. Het is ook niet altijd zo dat men niet over de informatie beschikt. Maar ja, 'de kiezer'. 

 

Dit klinkt alsof politiek en burger elkaar in een verstikkende wurggreep houden. Verbeelde angst regeert. De politicus voedt de angst en zegt vervolgens dat hij of zij naar de angst van de mensen luistert. En de burger/kiezer...hier belandt men in het proeven van de nationale ingewanden.

 

Nazarski benadrukte, in de oplossingensfeer, opnieuw dat er in Nederland onder burgers ook veel draagvlak voor vluchtelingenopvang is, waarnaar politici vaak niet verwijzen. Van Roemburg viel hem bij.

 

Maar er is ook verzet. En waar de pijn bij allerhande burgers zit, of achter de (ingebeelde) angst een werkelijke angst schuilgaat en wat daarvan de reële aanleidingen zijn, is de miljoendollarvraag - voor wie vluchtelingenopvang verbeteren wil.

 

Meer medemenselijkheid 

Nazarski's geloof in een positief effect op het vluchtelingenbeleid van een verhoogde 'medemenselijkheid' roept de vraag op hoe die te vergroten als mensenrechtenorganisatie.

 

Gegeven de wederzijdse wurggreep en de ervaringen van lobbyist Reesink is het de vraag hoeveel zin het heeft politici met 'inhoud' aan te spreken. Wellicht is druk van onderop, de platte communicatie dat het electoraat van de partij 'om' is, effectiever. Dat is ook de strekking van Nazarski's tweede en derde suggestie, die zowel het voor zich winnen van tegenstanders alsook politiek te gelde maken van de voorstanders (de in de beeldvorming onderbelichte grote meerderheid) ten doel hebben.

 

Probeert men politici niettemin langs de weg van de inhoud te beïnvloeden, dan lijkt de juridische invalshoek de meest praktische. Politici wijzen op verplichtingen "die we nu eenmaal in 1951 aangegaan zijn" is daarbij doodlopende weg. (D'Ancona memoreerde dat ten tijde van het Kabinet-Lubbers III CDA-minister Hans van den Broek zelf de inbreng van anderen in het kabinet toetste aan het Vluchtelingenverdrag. Das war einmal)

 

Dus dan zal men alsnog een (ook) ethisch betoog moeten houden.

 

Gaat het om bewerken van het electoraat, om vervolgens met het resultaat stemmersbeluste politici te verleiden, dan lijken campagnes om de medemens tot medemenselijkheid te schoppen niet aan te bevelen. Beschavingsarbeid oogt al gauw prekerig en minzaam, daarmee een eerste weerstand bij de 'onbeschaafde' oproepend. Nazarski is weinig concreet over wat er op dit gebied ondernomen zou kunnen en moeten worden, anders dan het marketen van successen van lokale initiatieven.

 

Na zijn toespraak en de aansluitende van Henk van Houtum, nam Nazarski deel aan een discussie aan tafel. Hier sprak hij behalve moraliserend - met inbegrip van een depreciatie van onze premier, die hij van een ernstig gebrek aan empathie met vluchtelingen betichtte, op basis van enkele gemakkelijke/ongevoelige uitspraken van hem - ook wat meer politiek, en losser. 

 

Mogelijk werd Nazarski in zijn publieke optreden bekneld door zijn functie. Beroepshalve is hij verplicht zich te beperken tot een mensenrechtenvertoog. Van Houtum was vrijer, terwijl respectering van mensenrechten en het Vluchtelingenverdrag ook van zijn betoog het uitgangspunt was. Maar hij kon er daarnaast andere zaken bij betrekken, puttend uit zijn academisch specialisme, en ook ongeremder oordelen vellen dan Nazarski. Sprak Van Houtum alleen namens zichzelf, Nazarski vertegenwoordigde Amnesty International.

 

Dat neemt niet weg dat de vraag gesteld kan worden hoe binnen een mensenrechtenkader meer 'medemenselijkheid' bepleit kan worden. Niet in de zin van een verdragsbepaling, een recht waarop men een beroep doet, maar als ethische kwaliteit die men een medeburger of politicus/-ca oproept meer te hebben of tonen. Het gevaar is dat men aanmatigend wordt. Onmiskenbaar lijkt men hier vanuit een morele superioriteit te vertrekken, waarbij men hoogstens 'bescheiden' de ander zijn of haar morele tekortkomingen niet inwrijft.

 

Van die aanmatiging - maar het kan ook ongeduld zijn - getuigde Nazarski ook eerder die avond, toen hij - opvallend voor iemand die zelf nogal moraliseert - weinig begrip leek te hebben voor juridische finessen. Hij verwees (52.45 min) naar 'haast theologische' debatten over erkenningsgronden in het VN-Vluchtelingenverdrag rond 1951, daarbij waarschijnlijk verwijzend naar de exegetische twisten die nog niet zo lang geleden het protestants christendom en soms het rooms-katholicisme kenmerkten.

 

Nu kan het recht politiek misbruikt worden om politieke doelen te bereiken maar het is de vraag of mensenrechteneerbiediging gebaat is bij een overmatig moraliserende opstelling door Amnesty International. En juridisch anti-intellectualisme - waarmee Nazarski haast koketteert (65.15 min) - is ook weer zoiets.

 

Hierboven suggereerden we enkele mogelijkheden voor een meer politieke en gehaaide opstelling.

 

 

Burgemeester Orlando van Palermo. In een arme stad toch pleitbezorger van vluchtelingenopvang en ongekend populair - Hedy D'Ancona had oktober 2016 met bewondering naar Tegenlicht gekeken.

 

Kan Amnesty International politiek gewiekster opereren?

Achterhuis merkt op dat het optreden van de NAVO tijdens de Kosovo-interventie aantoont dat ook de NAVO Machiavelli's lessen ter harte lijkt te hebben genomen (o.c, p.95). Publiekelijk werd vooral de verdediging van de mensenrechten van de Kosovaren als rechtvaardiging van de interventie opgevoerd.

 

Net zo is een Machiavellistische inzet van moraliseren en spelen op het sentiment door Amnesty International denkbaar. Amnesty International zou dan heftige morele verontwaardiging deels aanzetten, veinzen, omdat dat dat een succesvolle manier zou zijn ('naming and shaming') om effect te sorteren ('hinderkracht'). Vandaar dat we boven schreven dat veinzen bij Amnesty ogenschijnlijk de grenzen aangeeft van de zichzelf toegestane modi operandi.

 

Tegelijk zou men vernuftig moeten moraliseren, met vooraf naar beste vermogen uitgekiend effect op de doelgroep(en) die men wil bereiken. Zo strijkt het moralisme van de Nieuwsjaarspreek 2017 van Amnesty-directeur Nazarski mogelijk juist degenen tegen de haren die hij wil bereiken.

 

Hun wordt een 'wij'-schap opgedrongen waarin men geen trek heeft, zonder dat overtuigende argumenten worden aangedragen waarom dat toch voor hen een aantrekkelijke optie is. En onder het mom van vrede stichten - een verdelend Wij en Zij-denken te boven komen - en bovenpartijdigheid wordt een ongenoemd 'Zij' (maar nogal evident de groep die men overtuigen wil) verwijt gemaakt.

 

'Humanitaristisch' moraliseren van mensenrechten en het inzetten van ook human interest-verhalen rond individuele cases spreekt mensen niet aan als politieke burger maar als consument/donateur, stelden wij boven. Andere consequentie is dat de geportretteerde rechtendragers wier rechten worden geschonden maar die zelf actie voeren, vaak voor anderen - door Amnesty deels geprezen als inspirerende voorbeeldfiguur - voor een ander deel zo worden getransformeerd tot object van liefdadigheid, 'slachtoffer'.

 

Neem het echtpaar Leyla en Arif Yunus. Zij is een mensenrechtenactivist in Azerbeidzjan, werkzaam voor een mensenrechten-NGO, die op valse gronden werd beschuldigd, gearresteerd en tot een celstraf veroordeeld. In een PR-spot van Amnesty International wordt haar verhaal en dat van haar man, historicus, getransformeerd tot een gezinssprookje. Er was eens een dochter die zomaar bij de Amnesty Schrijfmarathon 2014 in Amsterdam binnenliep en het podium beklom: de dochter van Leyla en Yunus! Daarna kwamen - door ons gezamenlijk brieven schrijven en andere actie - vader en moeder vrij, met als apotheose de vereniging op Schiphol - kijk hier, de beelden!

 

Om het sprookje mooi rond te breien: in 2016 openden Leyla en Arif, op hetzelfde podium waar hun dochter twee jaar eerder een oproep had gedaan, de Schrijfmarathon 2016!

 

Zo zie je maar, de kracht van eh.

 

Net zo is de Nieuwjaarspreek 2017 van Amnesty-directeur Nazarski opgesierd met een foto van Arif, Leyla en ontroerde dochter verenigd op Schiphol, niet van Leyla en Arif in de gevangenenkooi tijdens de rechtszaak of van Leyla aan het werk voor de NGO.

 

 

Amnesty International: wie één mens kan redden kan alle mensen redden? Fijn die dankbaarheid van de slachtoffers?

 

 

Joris Linssen vangt het sentiment

 

Kritische vraag: wordt het sentiment misschien zo breed uitgesmeerd.bij gebrek aan een sterk (wervend, verbindend) juridisch-politiek verhaal?

 

Amnesty-directeur Nazarski verried in 2013 een zekere moeite met de orde van de politiek. Bij een optreden in het televisieprogramma De Nachtzoen gaf hij enerzijds aan ermee te hebben leren leven dat verandering vaak met kleine stapjes gaat maar leek hij zich anderzijds te distantiëren van de politiek. Hij sprak van "gedoe" en leek een moreel gedreven ongeduld uit te stralen, alsof dingen veel sneller in de door hem gewenste richting zouden behoren te gaan dan ze deden.

 

Maar consequentie van dat ongeduld, wanneer gemeend, is de aanmatiging van het recht in eigen handen menen te mogen nemen, á là de rechtvaardige oorlog waartoe het IKV zich ten tijde van de Kosovo-interventie gemachtigd voelde.

 

Achterhuis heeft in een serie van vier boeken, verschenen in de afgelopen twintig jaar, de gevaren van utopisch denken in allerlei varianten geanalyseerd. Nazarski lijkt er geen van te hebben gelezen. Utopia, van een van de eerste utopische denkers, Thomas More, werd door Achterhuis in 1998 uitvoerig geanalyseerd, en in 2008 lichtte hij toe (in Met alle geweld) waarom het boek desgevraagd hoog in zijn lijstje van 'meest gevaarlijke boeken uit de geschiedenis van de wijsbegeerte' zou staan.

 

Nazarski noemde Utopia onlangs, in een gelegenheidsbetoog, een "geweldig boek" en prees More hierbij als 'mentaal moedig', vanwege zijn doordenken van kwesties "tot hun uiterste consequentie". Ook More's "principiële houding" kreeg lof toegezwaaid. Nazarski verklaarde More apodictisch "geen utopist" en wist even stellig dat mensenrechten utopisch zijn "in de ware zin van het woord", wat inhoudt dat ze "met alle kracht na te streven" zouden zijn.

 

Het betoog, een column, was mede bedoeld om enkele mensen uit te lichten die figureerden in documentaires die werden vertoond op het Movies That Matterfestival dat toen aanstaande was. Nazarski lijkt mensenrechten een betekenis te willen geven die lijkt op wat boven 'principe' is genoemd. Feitelijk zegt Nazarski niet meer dan dat het idealen zijn, met inbegrip van het besef dat de ideale eindtoestand nooit bereikt zal worden.

 

Dat laatste licht Nazarski uit met de vondst "utopie van de werkelijkheid", waarvan de toegevoegde waarde echter onduidelijk is, anders dan dat het hem gelegenheid biedt om op voorhand een soort boosheid te ventileren over een te voorziene nederlaag die hij onrechtvaardig of onterecht vindt en vermijdbaar. 

 

Wat Nazarski mogelijk bedoelde, is dat mensenrechten zijns inziens een moreel en politiek minimum zijn, dat iedereen zou moeten kunnen ondersteunen (waarom lukt dat verdorie toch maar niet): "[Mensenrechten] weerspiegelen idealen van gelijkheid en het verlichten van lijden‚ van vrijheid en sociale rechtvaardigheid‚ democratie en bescherming in tijden van oorlog. Ze zijn links noch rechts."

 

Aangezien eerbiediging van mensenrechten volgens Nazarski in beginsel een breed gedragen politiek programma zou kunnen zijn, is het wellicht vruchtbaarder om zich, in plaats van op voorhand te mopperen op het nooit bereiken van het maximale resultaat, af te vragen wat er beter kan aan de eigen strategie en tactiek. Het product schijnt aantrekkelijk te zijn. Hoe kan het dan dat men de klant onvoldoende bereikt?

 

De toon van de column is die van een mokkende utopist, van wie omstanders zich gelukkig kunnen prijzen dat hij niet alle middelen in handen heeft gekregen om zijn ideaal met geweld af te dwingen. Juist de combinatie van idealisme met een doel-middeldenken, door More geïntroduceerd, maakt voor Achterhuis het gevaar van More uit. Geweld wordt bij More voor het eerst 'rationeel' ingezet. Achterhuis oordeelt Utopia deels een legitimatie in verhaalvorm van het in More's tijd net opkomende kolonialisme.

 

Mogelijk is Nazarski het vele geweld uitgeoefend door de Utopiërs in Utopia niet ontgaan en oordeelde hij het om die reden geen utopie. In dat geval komen in Nazarski's idee van een utopie dingen op vreedzame wijze tot een happy end, bijvoorbeeld via de kracht van het overtuigende argument. Ook dat is een bekend element van utopisch denken. De orde van de politiek, gekenmerkt door eeuwige strijd en diversiteit van meningen, wordt erin ontkend.

 

Nazarski's opvattingen over Utopia verraden dat hij meent dat politiek in het verlengde van moraal ligt.

 

Zou Amnesty International 'machiavellistisch' kunnen opereren, een campagneteam bijvoorbeeld niet 'naïef' maar bewust 'de emotiekaart spelen'? Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat zeker de marketingafdeling niet naïef opereert. Zou een campagneteam het doen, dan is intern in elk geval de (naïeve) 'heiligheid' / 'zuiverheid' van het ijveren voor mensenrechten af gehaald.

 

Ook Machiavelli zou het aanbevelen. Weliswaar zou hij de goede morele reputatie van Amnesty International tot de kroonjuwelen rekenen, en aansporen die reputatie te onderhouden, maar politiek bekeken gaat het hierbij om de schijn.

 

Verder zou Amnesty International, in plaats van zich op te stellen als bovenpartijdige Mozes, die namens God de eerbiediging van de mensenrechten controleert en af en toe vermaningen uitspreekt, ook de kameleon tot schutspatroon kunnen kiezen.

 

Op nationaal niveau laten alle Nederlandse politieke partijen zich erop voorstaan de internationale rechtsorde te willen versterken en de mensenrechten een warm hart toe te dragen. Men laat zich ook graag fotograferen wanneer men op 10 december een of meer brieven schrijft op de Amnesty Schrijfmarathon en deelt dat op sociale media. Een te weinig beproefde tactiek is zich als Amnesty International maximaal plooien naar de doelgroep die men beïnvloeden wil. CDA-ers zijn gevoelig voor andere noties dan VVD-ers. Men kan proberen zoveel mogelijk gezichten te hebben als batig is, met behoud van de juridisch-ethische kern van de mensenrechten (hoewel die intern ook spanningen kennen).

 

Nog weer een alternatief is investeren in het een ledenorganisatie of politieke organisatie worden, politieke massa te vertegenwoordigen. Dat is nu niet het geval. Amnesty International is een donateurs-NGO zoals het WNF. Risico is dat blijkt dat Amnesty International weinig aanhang weet te verwerven.

 

Tot slot, en gemakkelijker realiseerbaar, is een boosaardiger, brutaler publiek optreden. In plaats van het snel vermoeiende moraliseren waarin directeur Nazarski uitblinkt, kan men humor benutten. Zoals men sport weleens voorstelt als gekanaliseerde agressie, kan men humor zien als gekanaliseerde boosheid. Ook hoeft mensenrechtenactivisme niet altijd maar de hoop levend te houden en kaarsvlammetjes voor uitdoven te behoeden. Een vitaal pessimisme is al lang een alternatief. Het lijkt op het verschil op mensenrechten behartigen 'vanuit respect voor de menselijke waardigheid' of 'om vernedering van mensen te voorkomen'. De eerste variant is hooggestemd, de tweede kan zonder.

 

Vanuit de humor bekeken waren de optredens tijdens de benefietactie voor Amnesty Nederland in 1983 en eerder met Monty Python en Rowan Atkinson in het Verenigd Koninkrijk vitaler dan de latere rocktours georganiseerd door Amnesty USA. De laatste koppelden Amnesty International weer aan een glad evangeliserend Bono-activisme, taylor-made voor aansluitende sentimentele marketingactiviteiten.

 

 

Het debat is hier na te bekijken

  • Laatste wijziging juni 2017.

  

Voer actie via je smartphone!

Wij op Social Media

FacebookTwitter

Onze activiteiten in vogelvlucht

In- en uitloggen vrijwilligers